278. Het bakje
Het bakje stond bol.
Het bakje stond bol.
Van alle Amsterdamse straten is de Reguliersbreestraat zo ongeveer het verst weg in mijn hoofd. Hij dient vooral om van de Munt naar het Rembrandtplein te komen, voor het geval een mens daar zou willen zijn. Of naar de wereld verderop.
Van alle Amsterdamse straten is de Reguliersbreestraat zo ongeveer het verst weg in mijn hoofd. Hij dient vooral om van de Munt naar het Rembrandtplein te komen, voor het geval een mens daar zou willen zijn. Of naar de wereld verderop.
– De trein suist langs het Thialf-ijsstadion in Heerenveen. Ik ben er wel vaker langsgekomen, maar miste het steeds. Nu weet ik waarom: het staat er niet op. Wonderlijk. Maar misschien zeggen ze hier: ‘De koning draagt toch ook geen bordje met ‘Koning’ erop?’Of bedoelen ze ‘Je kent ons pas als je ons van binnen kent’? Iedere bakker verkoopt hier ‘oranjekoeken’. Je ziet ze en denkt: ‘?’ Van buiten zijn ze… roze. Het oranje zit binnenin.
Ik zag het wel, maar ik geloofde het niet.
Soms kan je dagdromen over iets dat er waarschijnlijk nooit van zal komen.
Weerzin. Dat voel ik ten opzichte van mensen die een bepaald drieletterwoord bezigen.
Zoenen, hoe doe je dat? Binnen één week werd ik twee keer gewezen op deze belangwekkende vraag.
Er is de bekende stelling hoe je een Nederlander gek kan krijgen:
We hadden te Amsterdam een Italiaan op bezoek. Hij wilde verhuizen. Hij kon er niet meer tegen. De druk(te) van Rome was hem te machtig.