613. Vergeten

Purmerend. Ben ik daar ooit geweest? Ja, één keer, lang geleden. Maar alleen scherend langs een buitenwijk, bij een schaatstocht door het Waterland. Voet aan wal heb ik er nooit gezet. Of laat mijn geheugen mij in de steek?

Hoe dan ook: nu, aan het eind van mijn leven, ongeveer, ging het er in elk geval van komen. Ik ging erheen. Ik moest erheen. En wat een toeval dat ik juist diezelfde ochtend een man ontmoette die zijn leven in Purmerend begonnen was.

Ik wilde van hem weten hoe het er was, in Purmerend.

Hij zei, onomwonden: ‘Je wilt er nog niet dood gevonden worden’.

Amper twee uur later was ik er en keek uit op de kist van de man die er aan zijn eind gekomen was. Een geliefde man. Dat zag je alleen al doordat de Kleenex, die uitnodigend, hagelwit stond te wuiven, gretig aftrek vond.

Niet door de vrouw iets links van mij. Zij had haar eigen zakdoek bij zich, maar nodig was die wel.

Het afscheid naderde het definitieve einde. De uitvaartleidster nodigde ons, derden, naar buiten. Om een erehaag te vormen, voor de baar en de familie.

Het was koud, maar droog. Zo stonden we daar, te wachten. Hopend dat de volgende bui zich even in zou willen houden.

Weer links, maar nu pal naast me, stond de vrouw die ik herkende van binnen. Ik vroeg haar naar haar band met degene op wie het wachten was.

De vrouw keek wat onzeker opzij, naar haar man. Hij was degene die het wist. Zij niet. Eén ding wist ze wel: ze was thuis van de trap gevallen en sindsdien wist ze niets meer. Althans, van het verleden.

Vriend en vijand.

‘Is er een grens, van waaraf u het wel nog weet?’, vroeg ik.

Ook daarop was het haar man die het antwoord gaf: ‘Drie dagen’.

Eén ding wist zijn vrouw wel: ‘Ik huil veel’.

Ik kon, wilde me niet inhouden en gaf haar een aai.

Momenten zoals dit waren voor haar heel confronterend. Onbekende bekenden, die stralend op je afkomen: ‘Weet je nog? Van school!’ En een meneer naast je, in de erehaag, die vraagt: ‘Waar kende u hem van?’

Spreken kon ze nog, prima zelfs. Wat zijn onze bovenkamers toch curieus ingericht. Aangeleerde vaardigheden, had ze die nog? Ik vermoedde van wel.

Ik zou haar wel willen vragen of ze weet wat ‘Japan’ is, zomaar wat. Misschien weet ze ook dat. Maar dit is niet het moment.

Het lijkt wel alsof het er in haar hersenpan uitziet als een kant-en-klaar decor, zonder toneelstuk. De rekwisieten zijn er nog, maar de map HERINNERINGEN is weg. Eruit gevallen, als een losse module.

Gelukkig is haar man er nog. Hij wel. Net als de overledene blijkt hij een zeeman in ruste. Maar zijn vriend rookte, als een tweede schoorsteen op zijn schip. In een tijd waarin je je visite steevast vergastte op een nicotineboeketje. In een mini-vaasje op tafel.

De man van de-vrouw-zonder-geheugen is gered door de ladingen die hij vervoerde. EXPLOSIEGEVAAR! bleek goed voor zijn gezondheid.

Wel was ook hij vaak lang weg. Heel lang. Niet zelden een half jaar.

‘Dan moest u zich opnieuw voorstellen aan uw kinderen’, suggereer ik, figuurlijk. De bevestiging doet vermoeden: letterlijk.

Nu zou hij zich opnieuw moeten voorstellen aan zijn vrouw als hij langer dan drie dagen van huis zou zijn. Ik geef haar opnieuw een aai, langs een hoogpolige mouw.

Daar komt de kist. Omzoomd door een kloeke scheepstros.

Het Einde

‘Wat is het vreemd’, zegt de-vrouw-zonder-geheugen. ‘Dat daar iemand in ligt’.

Inderdaad. Daar gaat-ie, op weg naar zijn laatste haven. Een haven vol vuur.

Maar spreker na spreker getuigde ervan:

zij zullen hem niet vergeten.

TERZIJDE

– Wel nog in haar geheugen: muziek. Teksten inclusief.

– Over touw en trossen.