277. I.M. Reguliersbree / Deel 3

Voor het eerst in lange tijd ben ik er weer, in de Reguliersbree.
Maar die sexshop? Is die weg? Ik zie er wel een, een grote zelfs, aan de andere kant van de straat. Maar ertegenover zat toch die kleine? Of vergis ik me?
Nou ja, zeker is, ik zal het maar bekennen, dat ik ooit in een sexshop ben geweest daar vrijwel op de hoek. Vlakbij de Munt.

De Sexshop

Studenten en bijbaantjes heb je in allerlei soorten.
Aan bijbaantjes had ik een hele batterij: rondvaartgids, brandwacht, heftruckchauffeur en wat al niet. Eén ding in elk geval niet: werken in een sexshop. (In de tijd dat sex nog geen seks was). Sterker, tot op relatief hoge leeftijd was ik nog nooit in een sexshop geweest.
Aan medestudenten had je de slimme, de eeuwige, de brave, de ploeteraars en nog zo wat. Eén ervan viel vooral op door twee superlatieven: hij was het aardigst en het langst. Met zijn krullenbol erbij ging hij de twee meter ruim te boven.
Ik had hem al een tijd niet gezien toen ik hem weer eens tegenkwam, ergens op straat. Hij was meteen enthousiast, maar had geen tijd.
‘Ik ben op weg naar mijn werk. Waarom kom je daar niet langs, zo meteen? Dan praten we bij’.
‘Waar is dat dan?’
‘In de sexshop, op de hoek van de Reguliersbree’.
‘O ja?!’
Ja, dus.
Ik ging akkoord. Het was een duidelijk geval van twee vliegen in één klap: bijpraten en bijwerken. Dat bijwerken betrof mijn lijst ‘Dingen Die Je Gedaan Moet Hebben’, waarop de sexshop nog vroeg om een vinkje. Een beter excuus om dat vinkje te gaan zetten was er niet.
Alsof daar een excuus voor nodig was. Het had er de schijn van dat de vriendelijke reus zijn werkplek als bijpraatplek had voorgesteld om aan te geven dat zijn bijbaantje de normaalste zaak van de wereld was.
Maar eenmaal daar binnen voelde het verre van normaal. Het zaakje was piepklein, wat nog meer zo leek omdat die krullenbol bij de kassa zo groot was. Bovendien was de winkel tot in de laatste kubieke centimeter volgestampt. Met sex.
Ik durfde nauwelijks te kijken, totdat mijn medestudent een klant hielp en zei: ‘Kijk rustig rond’.
Hoewel er zo een wereld voor me openging, voelde die heel benauwd. Het was alsof je er samen met de complete inhoud van een cafetaria zat samengeperst. Met vooral de frikandellen heel dicht, te dicht bij.
Ik weet zeker dat Onze Lieve Heer zou toegeven dat hij met de schepping van ‘de jongeheer’ esthetisch jammerlijk heeft gefaald. En dan zie je er in zo’n winkeltje meteen zo veel van. En zo groot. Alsof ze allemaal de Munttoren, buiten, qua formaat naar de kroon willen steken. Iets klein-maar-fijns, iets beschaafds, zoals die van de David van Michelangelo? Nergens te bekennen.

Davide4.M

En wat doe ik nu als er een bekende binnenstapt? Zeg ik dan: ‘Ik ben hier alleen maar om hem te spreken, hoor’? Wijzend op ‘hem’, terwijl die met een ander spreekt.

Dan zegt die bekende zeker: ‘Jij ook al?’

*