De Groene Weg / Deel 2

Fietsen

‘De Groene Weg’

naar de Middellandse Zee

2.

TROISVIERGES – DUDELANGE

Eén van ons is in crisis en dus zijn we het allebei. We staan klaar bij het stationnetje van Troisvierges, klaar om terug te gaan vanwege het verwachte weer.

Maar echt klaar zijn we niet, integendeel. Voor de helft van ons tweetal is de gedachte nu al om te draaien teveel. En, los van wat voor weer het echt gaat worden, is het al gauw zonneklaar: mijn eventuele chagrijn in de regen te moeten rijden kan het niet winnen van de treurnis die er al is.

Eerst even terug naar de opticien, die de bril van de ex-treurende repareert. Gratis, dit keer. Daarna weer koffie in het belendende café. Dat blijkt voorzien van de meest voorbeeldige omkleed-WC. Om beurten verdwijnen we erin als gewone burgers en komen er als fietsers weer uit.

Daar gaan we weer! Of we droog onderdak kunnen komen? We zullen het wel zien. Voorlopig gaat het prima, terwijl we het punt naderen waar de Ardennenroute en de Vennbahnvariant in elkaar overgaan.

Het landschap wordt al tijden sympathiek gelardeerd met plukjes kwaliteitsvee: Limousin-koeien vooral. Met Charolais op twee en anderhalve Black Angus. Maar dan stuiten we opeens op een aantal giga-stallen. Het blijkt een heuse Limousin-fabriek, ten teken dat die zo verantwoord klinkende naam niet altijd garant hoeft te staan voor arcadische taferelen. We zien ze niet, maar hoeveel limousines huizen hier? Duizend? Meer nog?

En hoe krap zitten ze erbij?

We zien trouwens opvallend veel landbouw in Luxemburg. Het is voor het eerst dat ik hier met voorbedachten rade ben. Luxemburg leek me altijd synoniem met saai. In elk geval, als je op de huizen en tuintjes mag afgaan, doen ze dat etiket alle eer aan.

Zelfs het tuincentrumtrio Boeddha+Bloemen+Hart helpt niet.

Hoe komen die Letzeluitjes eigenlijk toch zo rijk? Alleen door al die banken in de hoofdstad?

Geheel bijpassend, is het samenkomen van de twee routes een ware anti-climax. We hadden hier toch minstens een monumentaal bord verwacht. Fietsers uit beide richtingen die elkaar in de armen zouden vallen, tranen, dat misschien niet, maar toch: iets. Er was: niets. Zelfs niet het kleinste bordje. En van een toename van fietsers op het parcours is ook al geen sprake. Sterker, we zijn al de hele dag de enigen.

We sjezen, bergaf. Wie is er het eerst in Wiltz, wij, of de regen? Wij winnen, maar eenmaal bij het hotel begint het. Pfff.

Sinds kort weet de jonge hoteleigenaar waar regen toe kan leiden. Hij wijst ons de markering tot waar het brave stroompje naast zijn hotel onlangs nog woedend kolkte. Vlak naast een standbeeld van een Amerikaanse militair. We zijn hier namelijk op het tot totale rust gekomen strijdtoneel van het roemruchte Ardennenoffensief, tijdens WOII.

Not there! Now, the enemy is right below you…

Binnen, in het restaurant, is er sprake van een ander soort vrees. Als om ons te laten voelen dat we er echt even helemaal uit zijn, worden we geposteerd naast een stel uit… Almere.

Ze zijn met de auto op weg naar Portugal en het lijkt wel alsof ze heel diep ademhalen. Uit vrees voor Frankrijk, bang dat de Fransen alleen maar Frans zullen spreken. Bij wijze van voorschot probeert de vrouw op haar beste Frans à l’almérienne de Franse ober duidelijk te maken dat ze een vis zonder graten wil en noteert hij voor haar zijn gratenrijkste waterbeest.

Ook tot dusver valt hun reis de Almeerders niet mee. Ze hadden gehoopt op rustige weggetjes ook rustig te kunnen rijden, maar ze worden telkens opgejaagd door lokalen die niet met vakantie zijn.

De Luxemburgers zijn, gelukkig voor de Almeerders, van huis uit wél in vele talen thuis. Duits, Luxemburgs uiteraard, Frans en… Portugees wordt er veel gesproken. Ehm, Portugees? Ja. Heel velen van hen blijken in het Groothertogdom te wonen, ooit gekomen als gastarbeiders. Maar waarom Portugezen? Dat horen we pas een eind verderop.

Het goede nieuws van het avondeten is niet het eten, maar de wijn. Inmiddels hebben de Luxemburgse witte wijnen een sprong omhoog gemaakt, zo moet ook de Franse ober grif erkennen.

Een museum verdienen ze nog niet. Daarentegen heeft Wiltz wel een (warrig) biermuseumpje. Het interessante daarvan zit ‘m aan het eind, in de vorm van een micro-brouwerij. De brouwer leert ons dat industrieel pils in een dag of vijf wordt gemaakt, iets waarvoor bij ambachtelijke productie weken nodig zijn. En, verrassend: hij onderwijst dat zogeheten ‘laaggistend’ bier, zoals pils, eigenlijk duurder moet zijn dan ‘hooggistende’ varianten waartoe de meeste speciaalbieren behoren. Goed laaggistend bier, zegt de brasseur, is namelijk moeilijker te maken. Maar een hogere prijs is onhaalbaar, omdat het publiek door de grote volumes van laaggistend bier gewend is aan de lagere prijs ervan.

De bierwereld staat wat scheef.

Het regent in Wiltz en dus hebben we een rustdag. Het is er rustig. Het voelt alsof het Ardennenoffensief het enige opwindende is dat zich hier ooit heeft voorgedaan. Hier ergens moet de verbluffend drieste SS’er Otto Skorzeny één van zijn spectaculaire acties hebben uitgevoerd, Operation Greif. Maar waar precies? Het was dezelfde man die met Operation Eiche Mussolini bevrijdde. (Zie Cacciucco, het boek, pag.26).

En hier in de buurt – was het bij Bastogne? – schold de Amerikaanse ijzervreter Generaal Patton een van zijn soldaten de huid vol, sloeg hem in zijn gezicht en dreigde hem dood te laten schieten. Omdat hij het front verlaten had, als gevolg van ‘shell shock‘, tegenwoordig bij ons beter bekend als PTSS. In Pattons ijzige ogen: lafheid.

Of was het niet hier dat het gebeurde? Nee, zo zie ik nu. Patton deed het wel, twee keer zelfs, maar dat was op Sicilië. Zo raakt gaandeweg alles in de war, net als het eten bij de lokale Chinees. Ze hebben zich aangepast en doen nu, naast Chinees, ook aan sushi. We bestellen er een tafel en kuieren door naar ‘De Tuinen van Wiltz’. Bij toeval, of niet? Misschien was het wel de voorzienigheid die ons daar in een heel ander paar ogen liet kijken dan die van de spijkerharde generaal. En dan meteen de mooiste ogen van heel Luxemburg. Zou je zeggen. Maar ze zijn van Bryan Tweddle, een onvervalste Engelsman. Hij blijkt de baas van het Lampionfestival. Niet zomaar lampionnen, nee, iets waarvoor kunstenaars uit de hele wereld naar Wiltz zijn gekomen.

Helaas heeft Bryan geen verstand van koffie. We vragen het een Portugese dame, die ons de weg wijst naar het café van, natuurlijk, een Portugees. We worden er bediend door zijn vrouw, een Roemeense Roma vermoeden wij.

Luxemburg is mondkapjesland, Roemenië in principe ook, maar daar houdt niemand zich eraan, zo weet ze. Ze is er net geweest. ‘Toch is niemand daar ziek’. Ze denkt dat corona een complot van de rijken is. (Maar intussen gieren daar nu loodsteile lijnen de grafieken uit).

We dalen af, langs een monumentale Luxemburgse vlag, een fletse variant van de onze. Alsof in harmonie met de weinig sprankelende inwoners van dat land? Niet dat wij nu zo bruisend zijn, maar toch. Of overdrijven we? Opvallend velen lijken wel aan een soort compensatie te doen, door overdreven hard te scheuren in hun goed gewassen auto’s.

Maar als ze dood zijn vervallen ze weer in grijsheid. We lopen over een begraafplaats, waar spontaan een nieuw begrip naar boven komt: ‘een doods kerkhof’. De zerken zijn reusachtig, dat wel, dus op de kosten is niet bespaard. Maar verder… Zijn alle laatste rustplaatsen in dit land zo levenloos, alsof iedere originaliteit er verboden is, of alleen deze ene?

Luxemburgse Chinezen, in elk geval, komen in de regel uit Zhejiang, een provincie onder Shanghai. Ze blijken taai, althans die in het restaurant. Ze zijn de enigen tijdens onze reis die niet buigen bij mijn dagelijkse ‘watertwist’. Dan maar helemaal geen water.

Na onze regenrustdag trappen we door, langs de riviertjes de Sûre en de Alzette. Hoe komt het eigenlijk dat ik niet lyrisch uitweid over het Luxemburgse landschap? Omdat er niet zoveel over te vertellen valt. Iets kwaads kan je er niet over zeggen, iets goeds wel: het is aangenaam. Keurig, prettig. Maar je dichtader spat er niet echt van open.

In het plaatsje Ettelbruck, zie ik nu pas, staat zowaar een Patton Museum en is er een Patton Monument. Zo gaat het vaker bij een lange fietstocht. Heel wat kar je onwetend voorbij. Zou het museum een pure heldenvereringsplek zijn? Of is er ook aandacht voor de dubieuze kanten van de generaal, zoals zijn ‘shell shock-incidenten’. Iets waarvoor Wikipedia tegenwoordig zelfs een apart lemma heeft opgesteld.

We passeren ook heel wat plaatsjes waarvan de naam eindigt op (d)ange, zonder te weten wat die uitgang betekent. Mensen die we het vragen weten het ook niet: ‘Het heet gewoon zo’.

We houden halt in Walferdange. Op een historische dag. Na vele jaren sinds we onze fietsen hebben, hebben we namelijk een schokkende ontdekking gedaan: het lichtste verzet van Mevrouw is zwaarder dan dat van Meneer… Al die duizenden kilometers, op al die gemene Toscaanse heuveltjes en waar al niet, heeft zij veel meer moeten zwoegen dan ik. Al mijn onuitgesproken trots in al die tijd, terwijl ik op hellingen superieur vooruit reed, in één klap lek geprikt.

De schok is groot, maar nu we het weten is het onmiskenbaar. Hoe kan het dat we dit nu pas merken?! Juist omdat ik op de zwaarste passages altijd voorop was?

Hier moet iets aan gedaan worden. En wel meteen. We parkeren bij Bike World Luxembourg. Maar voor meer dan het bevestigen van de fatale diagnose hebben ze daar geen tijd.

Dan maar een hapje eten, om hiervan bij te komen. We kunnen kiezen tussen een Italiaan en, alweer, een Chinees. De Italiaan, uit de buurt van Rome, profiteert op zijn eigen terras van de laatste zonnestralen van de dag. Ik vraag hem of er van il sole in Luxemburg te weinig is en hij bromt van ja. Alsof hij alleen al van die vraag een heel slecht humeur krijgt. Het wordt niet beter als ik informeer of hij ossenstaart op de kaart heeft staan, een Romeinse specialiteit. ‘Dat eten ze hier niet’, knort hij, kortaf. Hij doet sterk denken aan zijn Sardijnse collega die ik in Amsterdam eens een knalharde kopstoot zag geven aan iemand die hem niet beviel.

Kortom, we kiezen, alweer, voor de Chinees. Daar komen ze allemaal, zo raadden we al, uit Zhejiang. Het beslechten van onze dagelijkse watertwist kan de serveerster niet alleen af. Daarvoor moet de bazin naar onze tafel komen, die op haar beurt wel genoegen neemt met ons aanbod voor kraanwater te betalen.

In het hotel vinden onze fietsen een genoeglijk plaatsje voor de nacht.

Ook de receptioniste komt uit Zhejiang. Hoewel, zelf is ze geboren in Luxemburg Stad. En hoe bevalt het haar, in het kleine landje? Prima, met één kanttekening: ‘Als je in Luxemburg bent geboren laten Luxemburgers je merken dat je Luxemburgs met ze moet spreken’. Dat kan ze wel, maar toch.

De route door Luxemburg Stad blijkt een positieve verrassing. Feestelijk autovrij en zelfs spectaculair, tussen steile rotswanden door.

Zo lukt het om zelfs niet één bank in het oog te krijgen en kan je zonder enig spoor van haute finance zorgeloos doorpeddelen langs de rivier. Het geld is hier trouwens brandschoon, althans het geeft niet af. Die leuke eekhoorn is gewoon bruin en ook het water is niet zwart. Wel doen de joggers langs de Alzette denken aan die in Amsterdam: het zijn expats.

Maar nog even en we zijn waar geen expat meer te vinden is. Of wel? We naderen de ‘vergeten’ noordoostkant van het volgende land op onze reis…

Terzijde

Bryan Tweddle.

Een minder romantische kijk op Limousins: een stukje koe op je bord bezorgt het milieu zevenmaal zoveel CO2-uitstoot per calorie als varkensvlees.

Inzake ‘Watertwisten’ verscheen eerder een aparte blogpost.

Voor de ‘General S.Patton slapping incidents‘, kijk hier.

Destijds waren er vurige voor- en tegenstanders van de generaal, met als echo in onze tijd: de diehard Patton-fan Donald Trump.

Nog verder terzijde:

Ik stuit op een verbluffend aantal Russische soldaten dat in WOII werd geëxecuteerd wegens desertie: 158.000. Kan dat waar zijn?

Bij de Amerikanen (officieel): 1.

Ernstig terzijde en toch leuk om te weten:

Bastogne-koeken komen oorspronkelijk uit Antwerpen. Ze zijn geïnspireerd op het reliëf van de Ardennen, als eerbetoon aan de Slag om Bastenaken tijdens het Ardennenoffensief.

Ik ben nog niet verder dan dat de uitgang ‘-(d)ange’ in plaatsnamen hetzelfde is als bij ons -(d)ingen. En dat in Duitsland de uitgang -ing zoiets betekent als ‘behorende bij’.

Eerder op deze site over de NL-vrees voor F.