615. Viraal / 2

De Flamingo lag afgemeerd in een mini-haventje. Op een bijzondere plek. Bijna in de schaduw van de beroemde hangbrug over de Taag en op een steenworp afstand van de Torre de Belém.

Alsof het symbolisch was voor onze opdracht: van het ene monument naar het andere, van De Toren naar Het Slot, het Muiderslot.

De Toren was een soort voorloper van de Amsterdamse Stopera, een twee-in-één-gebouw. Het was zowel bedoeld ter verdediging als een monument. De geëerde was niemand minder dan Vasco da Gama, Portugals roemruchte ontdekkingreiziger/piraat, de man die rustte in het Mosteiro dos Jerónimos, het klooster vlak achter ons.

Niet één van hen, denk ik.

Vergeleken met wat Vasco deed was onze eigen aanstaande reis maar kinderspel, al waren onze moderne gadgets dan gebrekkig. Daarom was het dat John niet aan onze onderneming wilde beginnen zonder… een proefvaart. De kapitein wilde eerst zijn schip en zijn bemanning beter leren kennen.

Dat bleek meteen al een goed idee bij de start. Die kon niet valser zijn. Het anker van de Flamingo bleek onder water verstrikt in een ketting. Aan mij de eer dit te ontwarren. Ik dook het haventje in en deed dat waarvoor een kapitein nu eenmaal bemanning heeft.

We konden gaan. Eerst richting de brug en daarna, langs De Toren, het zeegat uit. Bijna vijf eeuwen na Vasco.

Vanuit Lissabon naar zee varen heeft iets overweldigends. ‘Zee’ is als woord ervoor te kort, doet het tekort. Voor je ligt

De Atlantische Oceaan

Het begin van mijn mooiste zeildag ooit.

Het woei hard. De koppen van de golven verstoven, in nevel. Zo hard. Het water, in mijn herinnering, was eerder lichtgroen dan blauw. De zon, de zee, alles op max.

John liet ons iets doen op het voordek. Moest dat ook echt, of was het een test?

Spectaculair was het in elk geval. En link. Voor het eerst maakte ik mee dat een schip ‘onder je uit kan vallen’. Na een golftop duikt de voorplecht steil naar beneden, sneller dan jezelf. Maar je bent voorbestemd elkaar toch weer te ontmoeten. Althans, als je je dan nog op het schip bevindt… Om die kans te vergroten ben je er met een life line aan verbonden. Maar die moet je dan eerder wel vastmaken en daarna weer los…

Wie, wat brulde er harder? De wind, de zee, of John? Hoe dan ook, het was geweldig.

Maar wat vond Captain John ervan? De Flamingo was mooi, maar moeilijk, dat was wel weer gebleken. En wat vond hij van ons? Zozo, denk ik. Maar hij moest het ermee doen en besloot dat ook te willen.

De volgende dag voeren we uit. Al vroeg. En dat terwijl er voor een zeilboot iets essentieels ontbrak. Wat er een dag tevoren nog bijna teveel was, bleek uitgeraasd. Het was windstil.

Dus deden we wat een zeiler zelden wil, varen op de motor. Het voelt zoals een ruiter zich moet voelen al lopend over een parcours hippique. Met rijlaarzen aan, zonder paard.

Maar we waren niet aan het spelevaren, we waren begonnen aan een klus. En tijd was duur, vooral die van John. Wat zou hij ervoor krijgen? We hadden geen idee. Zou hij betaald worden per dag, of voor de taak op zich? Hoe dan ook, treuzelen was geen optie.

Dus, broem, broem, volle kracht vooruit. Pal noord. Vanaf nu was het menens. Doorvaren, dag en nacht, wind of geen wind. Daarom was het wachtlopen geblazen, bij toerbeurt. Ik mocht beginnen, bij daglicht. Wel zo prettig.

De anderen gingen te kooi en ik stoomde op, langs de Portugese kust. Maar niet voor lang…

Hoe lang zal het geweest zijn, voordat ik iets merkte? Twee uur, drie? En hoe lang duurde het voor ik John voortijdig wakker maakte? Drie uur, vier?

Maar er was geen ontkomen aan. Ik voelde me niet goed. Steeds minder. Ik ging naar de wc, een krappe plek die ik ernstig te goed zou leren kennen.

Bij wat ik daar produceerde zette ik grote ogen op. Ik was gewend aan tinten bruin. Maar dit was eerder… wit. Wit?! En dun, héél dun.

Ik trok mij terug in mijn kooi. Maar niet voor lang. Steeds vaker begaf ik mij naar die krappe plek, waarbij wat ik nog in me had mij ook aan de andere kant begon te verlaten. Het ‘mij begeven’ ging gaandeweg over in ‘slepen’. Buiten begon het te waaien.

Het werd donker en de wind trok krachtig aan. Mijn toestand verslechterde zienderogen. Ik begon te ijlen.

Zonder dat ik het wist had de kapitein besloten mij aan land te brengen. Het was pikkedonker en het woei nu weer hard. We naderden de kust. Van waar we waren had ik geen idee. Sterker, ik was bijna buiten bewustzijn.

Dat was het moment waarop gebeurde wat ik nooit meer vergeten zal. En begrijpen ook niet. Opeens, in een flits, was ik klaarhelder en alert. Een fractie vóór die machtige brul van John. Ik greep mij vast. Waar die brul voor was volgde bijna direct.

Een golf pakte het schip op en zette het dwars, in één keer. Een daarop volgende sloeg ons plat. Alles wat vallen kon, viel. Ik probeerde uit alle macht niet hetzelfde te doen. ‘Naar opzij’ werd ‘naar beneden’, vrijwel loodrecht. Het schip kraakte. De zee zocht en vond zich een weg naar binnen. We liepen vol.

Kwam nu de genadeslag? Terwijl de Flamingo zich, nu zwanger van de zee, met moeite weer oprichtte, wist de kapitein de steven alsnog te wenden, met reuzenkracht. Terug de oceaan op.

Hij had geprobeerd aan te landen in de haven van Aveiro, midden in de nacht, maar de branding er vlak voor was te machtig gebleken. Poging mislukt, maar we waren er nog. Leefden nog, hoewel ikzelf nog amper.

De kajuit stond vol water. Alles wat drijven kon, dreef, waartussendoor ik probeerde weer bij de wc te komen.

Fata morgana

Vanaf dat moment is mijn geheugen leeg. Verloor ik het bewustzijn volledig? Het licht in mijn hersenpan ging weer aan terwijl ik op een steiger lag, total loss. Zwakker kon niet. Was er een dokter bij me geweest? Ik zou het niet weten.

En waar waren we? In Porto, ten noorden van Aveiro.

Vanaf daar deed mijn geheugen het weer, maar met flarden. Ik was toevertrouwd aan een lieve Portugese die zich om mij bekommerde, terwijl de Flamingo verder voer. Nu nog met twee…

Thuiskomen bleek niet simpel. Terwijl ik weer wat op krachten kwam, was ook Portugal zelf in een precaire staat. Ook het land was bezig zich te hervinden, na de ‘Anjerrevolutie’ eerder dat jaar. Militairen bewaakten strategische posities. Vluchten vanuit Porto gingen er niet. Samen met anderen belandde ik in een taxi, ruim driehonderd kilometer naar Lissabon en vanaf daar door de lucht naar Amsterdam.

Over zee was de Hollandse Vasco da Gama niet ver gekomen, maar ik leefde nog. Dat voelde als een wonder.

*

Maanden later was het, dat ik mijn voordeur opendeed in de Amsterdamse Czaar Peterstraat. Op de trap lag een krant.

Mijn oog viel op een kop:

CHOLERA-EPIDEMIE IN PORTUGAL VOORBIJ

Cholera? In Portugal?!

Bij mij viel iets dat nu niet meer bestaat. Een kwartje.

*

En de Flamingo? John…?

*

Wordt vervolgd.

TERZIJDE

– Branding

‘Meisje’ op een golf in Nazaré, tussen Lissabon en Aveiro.

– Cholera

Door het duiken in de haven?

De typerende choleradiarree wordt wel omschreven als ‘rijstwater’.

– National Center for Biotechnology Information:

“In April-November 1974, Portugal had a cholera epidemic caused by Vibrio cholerae El Tor Inaba with 2467 bacteriologically confirmed hospitalized cases and 48 deaths”.