
Je hebt ‘vroege vogels’. Van die mensen die monter op hun sandalen door de wereld stappen, bij het krieken van de dag. Daar hoor ik niet bij. Opstaan voordat er een acht in de klok zit vind ik iets treurigs hebben. Begin ik niet aan. Ook niet als ik eerder wakker ben.
Maar dit keer ben ik zelfs wakker nog voor de wekker gaat. Zaterdagmorgen, 03.50. En prompt sta ik buitenboord.
Zelfs de echte vogels slapen nog. Of zijn die net zoals ik? Dat ze misschien al wel wakker zijn, maar er gewoon niet aan beginnen: ‘Vóór vieren fluiten we niet’. Er zijn grenzen.

Buiten weerlicht het. Verder is het aardedonker, op de straatlantaarns na.
Ik kijk tussen de gordijnen door. Minstens twee mensen blijken al op. Aan de overkant komt een duo voorbij dat voldoet aan een inmiddels standaard signalement.
Gezocht: Twee jonge mannen, zwart gekleed, op scooter.
Maar die van nu worden nog niet gezocht. Nog net niet, denk ik. Ze zijn nog onderweg naar hun werk, is mijn idee. Althans, ze zien eruit als het tegenwoordig al klassieke ‘plofstel’. Alsof ze op weg zijn naar een plofkraak, een niet-automatische geldopname bij een geldautomaat. Idealiter uitgevoerd tussen vier en vijf, wanneer die vroege vogels in het zwart alleen de eerste fluitende vogels krachtig overstemmen. Als maximaal contrast met de dan verder heersende stilte. De meesten van het mensenras zijn dan al naar bed, of nog niet op.
Zouden die echte vogels er trouwens ook doof van kunnen worden? En wat als je er als mensenvogel toevallig voor langs komt? Laatst hadden we nog zo’n PLOF! dicht bij ons in de buurt.
Hm, is er ook een automaat langs onze looproute van zo meteen?
Zou zo’n plofstel je dan toesissen, van om de hoek: ‘Je oren, bro!’ Ik ben bang van niet. Zelf hebben ze natuurlijk hun oortjes in, met heavy metal erop. Onder hun helm.
Maar, wie weet, misschien zijn die twee van daarnet gewoon lieve jongens, die alleen wat rondrijden omdat ze de slaap niet konden vatten. Niet iedereen wacht op die acht, zoals ik.
In elk geval is dit geen tijdstip om mijn dame in de urbane jungle alleen te laten, op weg naar het station. Dus vergezel ik haar, als ridder op leeftijd.
Nog maar even geen koffie. Misschien ga ik zo, wanneer ik terug ben, er gewoon weer in.
Buiten dreigt in elk geval het weer. Zelfs na talloze bliksems wil de voortijdige hitte zich nog steeds ontladen, als een klimaatcrisisje op zichzelf.
Toch, ondanks de regen, echt afkoelen doet het niet. Maar misschien houdt het althans de boeven binnen. Een beetje.
We zijn het niet gewend om op deze tijd op pad te zijn en monsteren alles dat beweegt. Een eenzame auto stopt, en laat ons oversteken, met een voor Mokum onverwachte beleefdheid. Bijna verdacht. Of overdrijven we nu en is de nacht juist een tijd van vrede? Van wapenstilstand op de weg.
De man, althans, die zich bij ons voegt op de nachtbushalte, komt direct door de keuring. En gelukkig is de bus op tijd. Stipt. Dat krijg je, bij een vrijwel volledig gebrek aan verkeer. Wel komt er een enkele fietser voorbij. In de regen, zonder jas.
‘Onze’ plek in de bus, voor ouderen en invaliden, is al ingenomen. Door een niet-oude niet-invalide. Hij slaapt, lijkt het. Geen probleem, in de bus is nog ruimte genoeg.
Als door een wonder ontwaakt de ‘slaper’ wel opeens bij de halte waar hij moet zijn. Even later zijn we er, op Amsterdam CS.
Op de grond naast de bus ligt er een lange jonge man op zijn rug, gekleed in smetteloos wit. Zijn hoofd omhooggehouden door een glazen wand. Hij slaapt, echt. Diep.
Voor de poortjes bij de trein is een trio beveiligers actief. Ware klerenkasten zijn het, stuk voor stuk. Alsof voor het echte nachtwerk mannen die te makkelijk door de poortjes passen niet zijn geschikt.
Het is nog geen vijf uur. Voor de trein naar Parijs zijn we ruim op tijd. Heel ruim. En toch, net als op Schiphol voltrekt zich een wonder. Je denkt ‘Wij zijn nu vast de enigen’, maar nee. De straten mogen dan leeg zijn, het perron niet. Opvallend veel jonge vrouwen zijn erbij, in strakke outfits.
Degene die voor ons langsloopt in iets meer lossigs, is er misschien geen. Geen vrouw.
Hij/zij/het opent een onooglijke zwarte tas, haalt er een Louis Vuitton-tasje uit en hangt het aan zijn/haar schouder. Splinternieuw, lijkt het.
Wijselijk wachtte hij/zij daarmee tot op het perron, de straat voorbij. Zelf heb ik voor deze gelegenheid mijn portemonnee en telefoon thuisgelaten, vanwege mijn voornemen na gedane lijfwachtdienst te voet naar huis te gaan. Lopend door de stille stad.
Mijn dame vroeg zich af of dat platzakke wel verstandig was: ‘Je moet ze toch wel iets kúnnen geven?’
Daar komt-ie, de Eurostar, vrijwel geluidloos binnenrollend en vers gepoetst. Tijd voor het afscheid.
Weer beneden, midden in de ’traverse’, staat een fatbike op een standaard. Wat doet die daar?
Er niet ver vandaan heeft een donkere jongen het hoogste woord tegenover een paar witte jongens, met dezelfde T-shirts aan. De sfeer is opgewonden, maar niet agressief.
Ik loop naar buiten, waar de dag zich heeft aangemeld. Het is licht, 05.40.

Het regent nog, maar heel zacht. Het Stationsplein is leeg. Geen enkele ziel of een tram te bekennen. Niets, zelfs geen zuchtje wind.
Op de Nieuwezijds zijn twee vrouwen in gesprek. Ze staan, allebei in zwarte hotpants, met hun fatbikes midden op de weg en bespreken, stel ik mij zo voor, hoe de nacht is geweest. Zeker, ook die jongens van net zagen er hetzelfde uit, maar wat geldt dat ook met name voor vriendinnen.
Op het trottoir, iets verderop, richt een wat schimmig figuur zich onverrichter zake tot een jonge man. Als eerstvolgende aan het front loop ik een tactisch bochtje en schiet de Koggestraat in. Zo kom je nog eens ergens.
De Singel is in diepe rust. In het voorbijgaan scan ik een paar naambordjes. Ik zou natuurlijk kunnen aanbellen en roepen: ‘Opstaan!! Luiaards! Jullie wachten toch zeker niet op een acht in de klok?!’
Maar zo ben ik niet.
Iets verderop is het zover. Geen ontkomen aan. Een man met het postuur van de beveiligers is er geen. Hij staat pal voor me en wil geld.
‘Ik heb niks’, zeg ik.
Is het omdat de waarheid spreken als het de waarheid is ook overtuigend overkomt? Of is het omdat er niet veraf twee getuigen staan?
Hoe dan ook, hij laat me door en richt het woord tot zijn maat, twintig meter achter hem. Een maat van een maat die ik nog wel aan zou kunnen, maar het is niet nodig. Hij keurt me geen blik waardig. Nee, gespannen tuurt hij links en rechts, alsof hij in plaats van strandjutten aan ‘stadjutten’ doet en zo een nieuw Joostianum het licht doet zien. Met dank.
Ik passeer het standbeeld van Multatuli, dat er altijd zo ‘paralympisch’ uitziet. Hoe hij blijft staan, zonder krukken?
Zijn pseudoniem wil zoveel betekenen als ‘Ik heb veel geleden’. Gaat dat ook op voor de donkere figuur die daar op me af komt? Hij lijkt nog te jong om al veel te hebben geleden, maar misschien is hij vroeg begonnen.
In elk geval beweegt hij zich opeens, links uit de flank, naar de waterkant. Hij zal toch niet…?! En wat doe ik dan? Zeggen: ‘Anders was mijn telefoon nat geworden’, gaat niet op.
Maar hij doet het niet, springen. Wat doet hij daar dan wel? Iets onduidelijks, maar ik ga het hem niet vragen.
Ook direct oogcontact ga ik op dit tijdstip uit de weg. Dat geldt ook wederzijds, voor de vrouw die langs me loopt, met ostentatief ogende oortjes in. Extra.
Het regent vrijwel niet meer, het druppelt alleen nog wat. Hoe vaak ben ik hier wel niet langs gevaren, als gids in de rondvaartboot? Verveelde nooit, altijd mooi.

Nog trager dan in de boot gaan de gevels nu aan me voorbij. Hoewel, eigenlijk, andersom. Ik ga rechtsaf, een brug over, bij De Negen Straatjes.
Een jonge man weet er niet wat hij wil, óf hij iets wil. Hij oogt ongevaarlijk, maar loopt links, rechts, terug. En nog een keer. Alsof hij aan zijn nacht maar geen eind weet te breien.
Wel staat zijn korte broek hem goed. Dat geldt niet voor de ruim uitgevallen gedaante verderop. Diens XL-korte broek ziet er bij hem eerder uit als een bedrijfsongeval. Hij is hier dan ook voor zijn werk.
Het is tegen zessen. Het heeft iets als het kenteren van het tij. Mensen die van huis komen krijgen, voorzichtig, de overhand. Zij die naar huis gaan raken in de minderheid.
Maar het is zaterdagmorgen, naar wat voor werk gaat die grote man? Hij stopt en haalt een sleutel uit zijn zak. Hij is daar waar hij zijn moet, bij ‘Chocolaterie Patisserie Tearoom Pompadour’.
‘Aha’, zeg ik, ‘maakt u de taartjes?’
‘Inderdaad’, bevestigt hij, diep tevreden.
‘U maakt veel mensen gelukkig’, stel ik stellig.
‘Daar doen we het voor’, zegt de grote banketman en stapt naar binnen.
Hoe doet-ie het, weerstand bieden aan zijn eigen taartjes? Ik weet van een andere banketbakker die aan diabetes ten offer viel doordat hem dat niet lukte. Als een beer gebonden op de honing.
Zeker is dat veel toeristen geen weerstand kunnen bieden aan Fabel Friet, één straatje verderop. Of is het dat ze geen weerstand kunnen bieden aan wat TikTok hen ‘gebiedt’.
Overdag staat hier een rij, ongelofelijk. Tot over de brug. Met ‘security‘ erbij. En waarvoor? Is die friet zo fabelachtig, of is dat maar een fabeltje? Fabelachtig duur is het in elk geval.
Nu is er niemand te zien. Ik ken iemand die er vlak naast moet wonen. Verrassend: anders dan zovelen in zijn buurt stoort hij zich minder aan de overlast dan dat hij overloopt van bewondering: ‘Dat ze het zover hebben gekregen’. Dat iedereen hier wil, nee, móet zijn.
Misschien begin ook zelf zo’n zaak: ‘FOMO Friet’.
Aan de volgende gracht huist een ‘Bijbelcentrum’. Er hangt een kastje aan de muur met, zowaar, gratis bijbels. Maar hier is het ook overdag nog wachten op een TikTok-rij.
Kijk, en daar is-ie dan, de eerste statiegeldverzamelaar. ‘The early bird catches the worm’.
Hij en zijn collega’s zijn de schrik van de stad. Ze scheuren de openbare vuilniszakken open om zo het statiegeld te kunnen innen van de blikjes en flesjes die daarin verscholen zijn. Geen meeuw zou het qua rotzooi maken beter doen. En wie het eerste komt, wie het eerst maalt. Ik vroeg me al af wanneer ze begonnen. Wat zal het nu zijn, kwart over zes?
Uit de richting Leidseplein komt een trio jonge vrouwen aan, al zingend op weg naar huis, in dezelfde strakke pakjes als die van eerder, op weg naar Parijs.
Op het terrein waar ik woon, daarentegen, geen enkele beweging. Zo tegen half zeven. Alleen vlakbij mijn huis staat een auto met erbuiten twee jonge mannen en erin twee jonge vrouwen. Hebben ze erin geslapen en staan ze nu net op?
Ik ben weer thuis. Ga ik weer naar bed? Nee, te laat. Koffie!
Buiten klinkt opeens knalharde muziek. Vanuit die auto? Het is iets over zeven.
Alsof ze iedereen wakker willen krijgen, nog vóór er een acht…

TERZIJDE
– FOMO
Fear Of Missing Out
– Fabel Friet
‘Vlaggenschip’: Fries, Parmesan & truffle mayo / €7,15
Gewoon ‘patatje met’: €4,95
– Echt Mokumse patatkenners die ik consulteerde zweren bij Vleminckx.
– Alle Joostiania
