SPANJE / In de voetsporen van Jozef Israëls

In het najaar van 1984 vond ik in een kast het boek ‘Spanje’, geschreven door Jozef Israëls.

Het was al laat in de herfst toen het mijmeren begon over een nieuwe editie van Israëls’ reis.

De schilder zelf, dagdroomde over zijn eigen tocht in het voorjaar van 1894:

Het was op een vroegen morgen in April, wat waaierig en koel, zooals dat bij ons meestal is, maar de zon scheen vroolijk uit de met witte wolken bezaaide blauwe lucht. Zij schitterde in elk bedauwd grasje van den tuin en op de pas ontloken roze bloesems van mijn perzikboompjes.

Jozef Israëls was toen zeventig jaar oud en stond op het toppunt van zijn roem, vooral als grote man van de Haagse School.

Toch was hij treurig gestemd. Zijn geliefde vrouw Aleida was hem in januari ontvallen, en het was vooral om dit leed te verzachten dat zijn zoon Isaac (eveneens een getalenteerd schilder, toen negenentwintig jaar) het voorstel deed een reis naar Spanje te ondernemen.

Er ging nog iemand mee…

HET REISGEZELSCHAP.

Met een ging de deur open en twee jonge lieden traden binnen. Het was mijn zoon, begeleid van een jongman bijna denzelfden leeftijd en gestalte. Mijn vriend Erens’, zeide hij…

… ik wilde namelijk voorstellen mijn vriend als dritte in unserem Bunde mee te nemen en met ons drieën, als gij het goedvindt, de reis te aanvaarden. Dat treft bijzonder, zei ik, want schilders zien alles naar den uiterlijken schijn en dat moet ook; want dat alleen is hun gebied. Maar het is toch een philosoof en dichter met ons mee te voeren om de dieper liggende wenken van het voorbijgaande op te vatten en vast te houden.

Zelf stelde ik het reisidee voor aan mijn vriend filmer-fotograaf Mauricio Rubinstein, een Europese Mexicaan, en zijn toenmalige Hollandse vrouw, dessinontwerpster Leentje van Hengel. Behalve gezellig, ’trof het ook bijzonder’. Cineasten en dessinontwerpsters kijken weer anders dan schrijvers.

Leentje zou zich halverwege bij ons voegen in het Zuid-Spaanse Ronda.

Vlak voor ons vertrek ontmoette ik Jozef en Aleida’s kleindochter Mejuffrouw Aleida Cohen Tervaert. Ze vertelde over grootvader Jozef en Oom Isaac die ze beiden nog gekend had. Zo kwam Jozef iedere zaterdag op bezoek, stak dan steevast zijn wijsvinger in de jenever en bood de kinderen vervolgens zijn pink aan.

Ook Frans Erens kon ze zich nog herinneren: “Die begreep een mopje pas, als ze al over de brug waren”.

Ze was zeer geïnteresseerd in onze reis en de plannen een nieuw boekje uit te geven, te bestaan uit de hoofdstukjes en tekeningen van 1894, met daarnaast de verhalen en foto’s van nu. Ik moest beloven alles te komen voorlezen.

Voor dit beperkte artikel lag, bij wijze van hommage, het accent op de tekst van Israëls, vooral waar die verrassend identiek is aan onze eigen ervaringen. Gelardeerd met beeld van een kleine eeuw later.

Er bestond een principeovereenkomst voor de publicatie van dit stuk met de kunstgerichte hoofdredacteur van het tijdschrift Elegance. Na inlevering van de tekst en het originele beeldmateriaal trad echter een nieuwe chef aan, met een heel andere koers. Betaald werden we wel, maar het beeld zagen we nooit meer terug…

*

ONDER WEG.

Buiten stond de reiskoets voor de deur, omringd door de gewone nieuwsgierigen en toen van ieder afscheid was genomen, fluisterde mijn zorgvolle vriend van Witsen mijn zoon in het oor: Zult gij goed op den ouden heer passen?

Mauricio reed voor, in ons tien jaar oude reisros. Na een ceremoniële stop bij de Jozef Israëlskade, snorden we tevreden naar onze eerste halte, de Belgische hoofdstad.

Natuurlijk hadden wij gedacht ons in Brussel na den eten vroeg ter ruste te begeven, maar onze kellner kwam pluimstrijkend en buigend naar ons toe en vroeg of hij voor ons plaatsen zou bestellen voor Wagner’s “Tristan und lsolde”,

Als dag voor vertrek, 91 jaar later, hadden we een willekeurige datum geprikt. Daarna pas informeerden we wat er op dat moment in Brussel was te doen: Wagners ‘Tristan en Isolde’.

en zoo vielen wij dan in het begin van onze reis in de armen der meest hartstochtelijke liefdesbetuigingen, die in de muziek geschreven zijn.

In ons mooie pak zaten we boven op het balkon, waar de warmte zijn werk deed. Halverwege het eerste bedrijf van de vijf uur durende marathon-opera, keek ik eens opzij. Hij sliep geruisloos, Mauricio.

Dat bleek trouwens niets nieuws.

…toen ik geslagen en verdrukt door al het geziene en gehoorde als eene verlossing het gordijn zag vallen, keek ik om naar mijne reismakkers.

Isaac en Frans waren gevlogen.

Zij waren overmand van geeuwen en slaperigheid

PARIJS.

­Met prachtig weer bereikten we de lichtstad, waar iedereen met wanhopige heroïek doende leek de voorjaarsvermoeidheid te combineren met mooi zijn.

Maar wij werden ook de dupe van onze nieuwsgierigheid om de tentoonstelling des peintres indépendants in te gaan. Hier hadden symbolisten, libres esthetici, pointilleurs en naturisten elkander uit alle landen de handen gereikt; eene Hollandsche dame zelfs had er iets griezeligs ten toon gesteld. Maar een goed glas wijn en een dineetje maakte alles in orde

­In twee etappes vingen we de verdere reis naar Spanje aan.

Een tussenstop in de Charente veraangenaamde de tocht aanzienlijk. Bij een mij bekend plaatsje hielden we halt. Er bleek weinig veranderd. De ontvangst door de boeren was hartelijk als vanouds en ze lieten ons niet gaan voor we van al hun alcoholische schatten hadden geproefd.

Israëls deed het iets minder comfortabel:

Het was een barre nacht en dat is nu de Train de Luxe. O, mijn gemakkelijk bed en ruime slaapkamer; ik lig hier voor mijn genoegen uitgestrekt als een monnik die geroosterd moet worden; de zoldering, een tweede bed, is slechts eenige palmen van mijn hoofd verwijderd; daarin beweegt, hoest en schraapt een ander reiziger.

EERSTE DAGEN IN SPANJE.

Ik zal het maar zeggen: het- eerste wat ik deed in het vaderland van Don Quichote en Gil Bias was… mij onder de dekens te bergen en in te slapen met het zalige gevoel van vastheid onder mij en stilte overal.

Meteen na aankomst in het land der Basken werden we door kennissen meegesleept in het het nachtleven van Fuenterrabìa en San Sebastian: bars en disco’s waar tussen de geluiden van fruitmachines en zingende klanten door, de barmeisjes zich behendig teweerstellen tegen een spervuur van amoureuze voorstellen.

Aan het eind van onze tocht belandden we in een bomvol café waar, tot onze verbazing, om acht uur ’s ochtends de nacht nog in volle kracht gaande was.

Na het uitslapen, had ook Israëls een eerste kennismaking met de vrouwen van Spanje.

Wij keken elkander zegevierend aan, alsof wij Amerika ontdekt hadden. Wij zijn er, riep Erens, dat is nu Spaansch. Heb jelui ooit zulk glansrijk zwart haar gezien, zoo rijk gekapt, met die bloem er boven op; mensch, wat groote zwarte oogen; en dan die bevallige kleeding met niets.

Door een dikke Spanjaard werd Jozef schalks toegesproken:

en als het oude heertje – hier kneep hij mij lachend in den arm – niet al te levendig wordt, kunnen de heeren een dansje wagen met de meisjes van Biscaye…

… de levende stoffage die dit hol versierde, was jong en krachtig; meisjes en jongens, de meisjes met waaiers, met bloemtuiltjes in het haar, of een enkele roos op de borst; lichte zijden kleedjes hadden zij aan, van die kleuren die men bij ons opzichtig noemt, maar die in dit gloeiend zonneland harmonieeren met al het overige, met het zwartglanzend zeer zorgvuldig opgenomen haar, en de zwarte diep liggende oogen. En zij dansten. zij dansten, men zou zoo zeggen dat ze er sentiment in legden; dan eens met het hoofd naar de eene zijde en dan weer naar de andere. de oogen naar boven, de oogen naar beneden met een lach die de voortreffelijke tanden deed bewonderen en het hartstochtelijke dezer maagden te aanschouwen gaf. De jongens echter, neen! met cigaretten in den mond en het kleine hoedje op een oor, alsof het hun geheel onverschillig was dat zij de meisjes omvatten en met hen ronddraaiden. Zij klapten van tijd tot tijd met den duim en den voorvinger de maat der muziek na en stampten op den vloer dat hij dreunde. Een oogenblik pauze; de meisjes rangschikten zich op de lange bank die langs den muur was aangebracht, en de cavaliers kwamen met ververschingen aandragen. Uit groote glazen, dronk men helder water, waarbij een zeer klein glaasje anisette werd aangeboden, frischheid en warmte vereenigd;

De disco’s van Bilbao zijn trendy. Nieuwe westerse muziek en jonge mode. Maar de meisjes in ons gezelschap dronken nog steeds voornamelijk water en in hun manier van dansen is Spanje nog onmiskenbaar.

BURGOS.

De harde. scherpe lijnen der bergen deden zich tegen de grauwe lucht voor als ingestorte kasteelen en torens, en soms als ruggen van reusachtige dieren.

Als wij de stadjes Miranda en Pancorbo doorrijden, is het een zeldzaam schoon panorama tot wij weer op eene dorre heidevlakte komen, waar Burgos ligt.

Eene kleine lantaarn brandde in een groote staldeur; dit was de ingang van het beste hotel in Burgos. Een reuk van paardestallen kwam ons van alle kanten tegemoet, dat was de benedenverdieping;

Heel wat gezelliger dan in de groote Europeesche hotels, waar een stroom bedienden op u afkomt als gij u aanmeldt en doet alsof gij de koning zelf waart, maar die u geheel aan uw lot overlaten als gij eenmaal in uw celnummer zijt aangeland. Hier geen nummer, dadelijk kind van huis;

Het mooiste hotel van Burgos is nu het Landa Palace, gevestigd in een smaakvol ingericht kasteel uit de XIVe eeuw. De receptiechef bood ons ter ere van de Israëls-reportage aarze­lend een kamer aan, waar wij in dank volop van genoten. De volgende ochtend ontmoetten we bij toeval de even dikke als harde eigenaresse van de Landa. Ze was onwetend van onze ‘gratis aanwezigheid’, maar wilde ons voor het artikel wel een paar briefkaarten leveren, verkopen…

Ze leidde ons rond door de Koninklijke Suite (14.500 Pts.) en door een ‘gewone’ kamer. Het was dezelfde die wij net hadden verlaten. “Heel mooi señora”, mompelden we bewonderend, “heel mooi”. Waarna de gezwindheid en discretie van ons vertrek de rest van de reis niet meer zou worden overtroffen.

Door Burgos wandelend kom je vanzelf bij

de groote, alles verkleinende kathedraal, want eigenlijk is geheel Burgos aangelegd als eene omgeving van dit prachtgebouw, dat vervaardigd werd in een tijd toen de menschheid niets was en de kerk alles.

Nu is ook de kerk als gebouw niet alles meer en in verval.

Het bevrijdende van het reizen met een boek als dat van Israëls, is dat het zo menselijk is. Geen hoogdravende overspannenheid ten opzichte van het culturele ‘moeten’.

Zoals daar

was het museum, het archief, de plaats voor huldeblijken en herinneringen van langgestorven heiligen en vorsten; helaas, wien interesseeren al deze vergane, meest onbeduidende grootheden.

MADRID.

Madrid is eene heerlijke ruime en frissche wereldsud, en als de zon schijnt of de maan aan den hemel staat, is het een waar genot om de ruime straten, vol winkels, koffiehuizen en vertooningen van allerlei aard, te doorwandelen. Parken met ruim aangelegde paden en rijk plantsoen, velerlei. Huurrijtuigjes, omnibussen, soms prachtige equipages geven een drukke en vroolijke beweging.

Zoveel auto’s rijden er tegenwoordig in Madrid dat de wereldstad zeker niet fris meer is, maar nog wel steeds heerlijk ruim.

De groote eigenaardigheid van Madrid is de nacht. Madrid schijnt nooit te slapen. Alles wandelt en redeneert op de Puerta del Sol om twee en drie uren in den nacht. Nieuwsbladen, ververschingen, loterijbriefjes en liederen, alles wordt nog met luider stemme aangeboden, en slechts als de morgenster verrijst, schijnt men zich ter ruste te begeven.

Bij het bezoek van de oude schilder aan het Prado had men al gauw begrepen hier niet met een gewone bezoeker te doen te hebben. Hij werd dan ook met alle égards behandeld.

ja ik geloof waarlijk, dat, als ik mij wat flauw en onaangenaam had gevoeld van het vele kunstkijken, zij mij daar een tafeltje met een lunch hadden klaar gezet.

Als gulzigaards pakten wij het eerste beste zaaltje aan, want wij zagen daar al een Velasquez hangen,

. . .dat is em nou. Een heerlijk landschap met een fijn blauwe lucht waardoor lichte strepen gingen; daar doorheen reed op een kostelijk bruin en levendig paardje een jonge Spaansche prins in een voortreffelijk costuum. Ik vond het paard het mooist, mijn zoon den prins, en Erens het landschap. Wij lachten van pleizier en vlogen toen spoedig weer het zaaltje uit, de groote deur in, ziedaar. Eene groote en ruime hooge zaal, waar overal Velasquez, Murillo, Titiaan en Rafaël te zien waren, maar Velasquez het meest.

Dezen kant heen, zei mijn zoon, daar, zie je, daar hangt die beroemde Overgave van Breda. Neen, zei ik, kijk daar, daar hangt dat prachtige portret van Olivarez te paard, nog een er naast en nog een, portretten van drie hofnarren en een groot interieur met prinsessen met Velasquez-haar. Wat ligt daar een prachtige hond op den grond, wat kon hij dieren schilderen, paarden, honden, apen, alsof het niets is; en dan die luchten, en die eenvoudige manier van schilderen, weer­gaasch, hij heeft zijn beroemdheid niet voor niemendal!

Maar een der bewakers, onze luidruchtigheid bemerkende voor Velasquez, wees ons naar de deur die een eind verder was, en die toegang gaf tot een ander vertrek. Wij konden deze zaal onmogelijk binnentreden zonder alle drie als op commando den hoed af te nemen, zoo een air de grandeur, zulk eene harmonie van schoonheid kwam ons daarin tegemoet.

In het midden der zaal de Tapijtwerksters en daar tegenover de Dronkaards, dit laatste forsch bruin, karakteristiek en hard geschilderd; het andere week, fijn, lief en vriendelijk.

Velasquez is een schilder, zooals men zich een schilder meestal voorstelt als men zeer jong is. Een groot doek, breede kwasten en penseelen en men schildert daarop met lustige hand een ruiter te paard, levensgroot in een heerlijk landschap met blauwe lucht en lichtende wolken. Gekleed in een luchtig pak van bruin fluweel met zwarte snorren en diepliggende oogen, staat hij daar met bedreven band een groot doek vol te smeren met levensgroote figuren. Hij teekent niet diepzinnig,. nauwkeurig. maar groot en raak; hij zoekt niet, hij wurmt niet, smijt niet wanhopig om zich heen met kwasten en stoelen, maar ernstig en overlegd.

Quel peintre et quel talent ! En wij staan daar en trachten te begrijpen hoe zulk een man in zulk een omgeving zich gevoeld moet hebben, wij schilders zonder durf, zonder modellen, zonder hof, koning of keizer om ons breed te gevoelen. Een schilderijtje van nauwelijks een paar meter beangstigt ons, en de koning lacht er wat om, om wat wij hem op eene tentoonstelling van levende meesters laten zien…

Weer blijkt Israëls niets menselijks vreemd:

Ach, wij konden het niet helpen, geschokt, ja vernietigd te zijn door den aanblik van zooveel meesterwerken; wij verlangden naar buiten; wij hadden reeds genoeg emoties gehad; wij wilden rijden, loopen en stoeien. Dien dag zagen wij geen schilderijen meer.

De volgende morgen, opnieuw in het Prado, komt ‘een zware deftige gestalte vriendelijk buigend’ op hem af.

Het was een fransch kunstcriticus, die mij vroeger eens had opgezocht en door wiens kennismaking ik bemerkte, dat niet alle schrijvers over kunst er niets van weten.

Eh bien, zei mijn fransche vriend, heb ik u te veel gezegd van den heerlijken Velasquez? Erens beweerde dat het tegenwoordig mode was Velasquez boven Rembrandt te stellen. ’t Is waar’, zei ik, ik heb het meer hooren zeggen; toch geloof ik dat oordeel lichtzinnig. Want al is Velasquez zulk een buitengemeen schilder, dat is Rembrandt ook; maar deze is daarbij nog veel meer; had Rembrandt nooit een penseel gehanteerd, hij zou door zijn etswerk alleen reeds eene eerste plaats onder de beeldende kunstenaars innemen. De voortreffelijkheid van zijn schilderstalent is nog maar een klein gedeelte van wat het groote genie vormt, van dezen met zoovele facetten geslepen edelsteen, de vinding, de naieveteit, de poësie van zijn somber mysterieus effect. Het diepzinnige en virtuose zijner behandeling.

Koppen als de Staalmeesters heeft Velasquez nooit willen schilderen. Het haar trilt, de oogen kijken, de voorhoofden rimpelen zich. Ik ben hier voor het eerst in Madrid en ben verheugd het voor mij zoo nieuwe talent van Velasquez te kunnen genieten. Maar zie ik zijn meesterstuk, las Lanzas, en ik denk aan Rembrandts Nachtwacht, dan beschouw ik het spaansche meesterwerk zeker nog met hooge ingenomen­heid en genot, maar in gedachte deins ik voor de Nacht­wacht terug als voor een wonderwerk. Dat is een penceel van eene breedheid zooals nog niemand gevoerd heeft. Alles wat schilderkunst vermag is hier vereenigd, natuurwaarheid en phantasie, hoogste meesterschap in de uitvoering en over dat alles heen een tooverij van licht en schaduw. die hem alleen eigen is. Het was een eigenaardige geest, die Rembrandt, waarin het dichterlijk mystieke van het noorden vereenigd was met de warmte en virtuositeit van het zuiden.

Kalm en rustig straalt daartegenover het werk van Velasquez van deze heerlijke wanden. Hij werkt, maar worstelt niet; hij voelt heerlijk maar voert geen strijd; het sombere zwijgen in het duister van Rembrandt en zijn dringen naar het oneindige en raadselachtige kent hij niet; rustig en zeker troont hij op de hooge plaats hier door hem ingenomen; maar de kunst van Velasquez omvat slechts zijn eigen kring. die van Rembrandt leeft met ieder menschenleven mee en streeft dan nog naar het historische en naar het ongeziene.

Wat moeilijk is het nu om Velazquez’ toenmalige roem te begrijpen! Hij spreekt althans helemaal niet meer tot onze verbeelding. En zijn ‘Nachtwacht’ Las Lanzas al helemaal niet. (Waarom spreekt Israëls trouwens helemaal niet over ‘Las Meninas’?)

Velazquez imponeert wel met sterke portretten als die van Felipe IV. Ze wedijveren in meedogenloosheid met Goya’s’ portretten van de koninklijke familie. Als Nederlandse opdrachtgevers destijds ook met zulke realistische resultaten akkoord waren gegaan, dan zou er in het Rijksmuseum heel wat meer te lachen zijn.

Wat is Goya prachtig! Ook in zijn vriendelijker ‘half affe’ portretten, zoals van Carlos IV en Infanta Donia Maria Josefa.

Maar wat hebben ze met zijn ‘Pinturas Negras’ gedaan?! De donkere schilderijen uit zijn depressieve periode hingen vroeger beneden. In die zaal kon een gewoon mens het niet langer dan vijf minuten uithouden, zonder het gevoel gewurgd te worden. Maar je voelde dat het ook zo hoorde. Nu zijn de stukken naar boven gehaald en voorzien van enorme witte lijsten, in een misplaatste poging iets wat donker hoort te zijn wat op te vrolijken.

Wel beter geworden van de verhuizing is de Nederlandse afdeling. Van Ostade, Hobbema en Rembrandts ‘Artemis’ hangen er nu glorieus bij.

Door het Prado kan men niet lopen zonder zich overspoeld te voelen door de ontelbare kruisigingen en Madonna’s. Gelukkig konden wij ons gesteund weten door Jozef Israëls.

Maar wanneer nu dit schoone onderwerp honderden en honderden malen herhaald zich aan uw oog opdringt, wanneer het om zoo te zeggen tot een uithangbord van godsdienstige plaatsen gebruikt wordt, wanneer men, zooals hier, zalen vol van deze onderwerpen, min of meer goed geschilderd voor zich ziet, dan heeft men al zijn kunstrechtvaardigheid noodig om er zijn aandacht bij te blijven bepalen; en zoo wandelden wij dan eene groote menigte kostbare doeken voorbij en zagen duidelijk, dat ook dit er toe bijdroeg de groote overwinning van Velasquez in dit museum te bevorderen, daar zijne religieuse voorstellingen hier zeer in de minderheid zijn. Wij begroetten den meester dier gelukkige gaven nog eens en nog eens en gingen toen het zonnige park door naar huis.

Wij konden nog niet naar huis, sinds in een ander gebouw, het Cason del Buen Retiro, Picasso’s ‘Guerníca’ staat opgesteld. Pablo zou zich in zijn graf omdraaien als hij zag wat er met zijn meesterwerk is gebeurd.

Vanuit een gang met interessante voorstudies komt men op een bruine vlakte, een soort verdorde prado, waarop aan het eind een enorme glazen kast is gefabriceerd. Daarin hangt de Guerníca, een van de krachtigste schilderijen aller tijden, als een steriele, uit zijn krachten gegroeide reageerbuisbaby.

EL ESCORIAL.

Voor de poort van het gebouw hielden wij een oogenblik stil, ten einde een overzicht te hebben van al die torens en koepels, waarvan er één zeer groote het geheel kroont; wij overzagen de honderden vensters en ingangen en de strenge lijnen die dit alles te zamen hielden. Men komt tot de erkenning, dat de koninklijke besteller en zijn bouwmeester elkander volkomen begrepen hebben om hier een woning te stichten voor eenen tyrannieken, de wereld en zijn genoegen verachtenden koning, wien de eer der Katholieke kerk het eenige was dat hem ter harte ging.

Eenmaal binnen, vindt Israëls

eene hoogst merkwaardige bibliotheek, drie lange kamers met duizenden boeken

… die met de ruggen naar binnen stonden, zoodat de gewone bezoeker niet zien kon wat daar te vinden is. Zoo leeren de geloovigen. Slechts de ingewijden mogen weten. De wetenschap dient niet gekend te zijn door iedereen; men kan er misbruik van maken. Moge tegenwoordig zich alles populariseeren, binnen deze muren wordt dit niet gehuldigd. De geheele toon dezer omgeving is angstig en zwaar.

Als de Senorès mij volgen willen, zeide de voorganger, hier beneden zal ik u de graven toonen der koninklijke familie. Hij rammelde reeds met de sleutels en de ijzeren trekkers knarsten reeds langs den grond. Maar wij keken elkander aan, vonden dat wij van dit paleis treurigs en sombers genoeg zouden medenemen, en om nu de lijst te hooren aflezen van zooveel grootheid, die hier in het stof terneder ligt, dat was ons te machtig.

Aangezien het hele gebouw zonder twijfel veel lichter geschilderd is dan in Israëls tijd, vonden we nog net de moed om in het ‘Panteon’ af te dalen. Daar zijn vrijwel alle Spaanse koningen sinds Karel V begraven. Drie lege kisten zijn er nog over, maar gezien de grootte maakten we ons grote zorgen over de rijzige Juan Carlos.

TOLEDO.

Mooren, joden, ridders, wapensmeden, inquisitie, tournooien en autos da fé, dat alles gaat u door het hoofd als gij naar Toledo optrekt.

Deze overoude stad aan de Taag is dan ook door de tanden en kiezen van den tijd zoo door elkander geknaagd, dat het plan der stad op geen plan gelijkt en men telkens meent weer op dezelfde plaats te zijn.

Kleine nauwe straten vol bochten en krommingen, pleintjes belegd met groote keien, waar geen woningen zijn, uitloopende op een of ander steenen trap, die u langs gangen voert met hooge muren, waarin soms lage openingen zijn met getraliede vensters, waardoor men bevroedt dat daar inderdaad menschen wonen.

Toch valt de beroemde stad Jozef een beetje tegen:

Ik had gehoopt op zwarte ruiters te paard, met hunne Toledaklingen, oude joden met hooge mutsen en lange tabbaarden, of tenminste een kleine optocht van witte monniken met toortsen of zoo iets.

Optochten zijn er tegenwoordig genoeg. Toeristen trekken in hordes voorbij. En ook ‘Toledoklingen’ zijn er te over: vanaf briefopeners tot levensecht, in de kwaliteiten ‘blik’ tot en met ‘edelstaal’.

Het mooiste is Toledo dan ook van een afstand. De kleurschakeringen tussen crème en rood, afgezwakt door verdroogde grijsgroene mossen op de dakpannen, geven de stad een prachtig homogene indruk.

De directeur van ons hotel is Doña Maria Angeles Torres del Pozo. Ze bevestigt dat het in Spanje nog heel ongewoon is dat een vrouw de scepter zwaait. Maar na een moeilijke aanlooptijd heeft zij de touwtjes nu strak in handen.

Israëls wandelde door de stad

en wij kwamen aan het “Zocodover”, Arabische naam voor “plein”. Deze stille stad, waar thans alles zoo gewoon Spaansch-Katholiek is, was vóór eeuwen de zetel van Mooren en Joden. De naam Toledo zelf is afgeleid-Hebreeuwsch: de stad der afstammelingen zou het kunnen beteekenen. Het Alcazar in de hoogte, de brug van Alcantara in de laagte, hebben nog de namen hunner vroegere meesters behouden. Toch is er zoo veel, en nogmaals veel, sedert die dagen hier gebeurd. Thans echter geen brandstapels of tournooien op het Zocodover. Eene vroolijke militaire muziek van de hier gevestigde cadettenschool, doet hier de stad te hoop loopen. Jonge luitenantjes wandelen druk heen en weer, en in de cafés rondom zit in de vroolijke zon de bevolking van Toledo hare zondagsuren door te brengen.

DE DOM VAN CORDOVA.

Langs dezen weg kwamen wij weer bij eene open ruimte en hadden eindelijk het wonder van Cordova, de groote moskee, tempel of dom voor ons. Eenigszins teleurgesteld keken wij het aan: een grove bruin-roode steenen muur, en daarachter een ongeregeld vierkant, dat niets van een schoon gebouw verraadde. Even als alles hier zag het er verlaten uit. Wij liepen dan eens hier, dan eens daar, om naar binnen te gaan; eindelijk vonden wij een ingang. Jelui moet bedenken, zei Erens, want ik heb het vroeger bestudeerd, hoeveel maal deze stad en deze tempel van beheerders veranderd is. De romeinen, de gothen hebben hier reeds hun hoofdtempel gehad en toen de stad in handen der Mooren viel, vatte een der kalifen het plan op, om op dezelfde plaats een moskee te stichten zooals nergens te zien was. Nu hebben aardbevingen, oorlogen, godsdienstijver vooral, deze zelfde plek geteisterd, de een brak af, de ander bouwde er bij; toch is het thans nog een wonder. Toen wij de poort van den voormuur doorgingen, wandelden wij langs een schoone laan van oranjeboomen rechtuit naar den ingang van de moskee.

Hij gaat binnen en

… hoe verder gij wandelt, hoe wonderlijker het labyrintisch geheel u beheerscht. Het licht dat van buiten, van boven, door het gewelf, soms door de zijwanden invalt en al die zuilen ten deele slechts belicht, en den grond met lijnen teekent, geven bizarre lichteffecten en mysterieuse hoeken vol zachte toonen en kleurschakeering.

Wij waren echter niet bijzonder gelukkig in den door ons gekozen dag om deze beroemde plaats recht te genieten, want er werd vreeselijk gehamerd en geklopt aan een der gewelven van het gebouw.

Zoals nog steeds.

Israëls arriveert in Sevilla, de geboortestad van Velazquez.

SEVILLA.

In mijn jeugd dacht ik mij Sevilla altijd als een stad waar men des avonds bij maanlicht rondwandelde, bij een hoog venster met balcon eene Juliette zag zitten, die ovaties ontving van een Andalusischen ridder, die beneden op straat de guitaar voor haar tokkelde. Maar in den loop der tijden is ook Sevil1a anders geworden.

Een Alhambra-achtig gebouw huisvestte ons in Sevilla. Een ruime trap, met dunne moorsche zuiltjes, leidde van het patio naar de lange bovengalerij; ’t was alles van wit marmer, of althans het scheen zoo, den weelderigen stijl van arabische kantwerk-versieringen nabootsende. Kwam ik des avonds van onze wandelingen te huis en goot de maan hare zachte blaauwachtige stralen door het geheimzinnige paleis, dan kwam er iets sultanachtigs over mij en ik zocht naar eene Scheherazade om mij te doen inslapen onder het vertellen van een tooververhaal. Helaas!

Sevilla is alleraangenaamst te doorwandelen, schilderachtig zijn zijne nauwe, altijd met groote vensters en balcons gevulde straten, soms zoo dicht bij elkander, dat de buren gemakkelijk met elkander kunnen lachen en twisten en van hun diner elkander iets overreiken;

Intusschen wat in Sevilla zoo bijzonder is, dat zijn de huizen der gezeten burgers. Deze huizen wekken dadeliik de aandacht en onwillekeurig werpt men er een nieuwsgierigen blik in. Het is eigenlijk geen gesloten huis, er is altijd een tuin voor, omgeven door een sierlijk hekwerk.

“Ja,” zei hij, deze patios zijn dan ook het mooiste en beste van onze woning. De bloemen, de zitbanken, de geschilderde muren, alles wordt hier zeer onderhouden

Op de roze en lichtgroen gekleurde Guadalquivir scheen zij dezen middag zoo prachtig en schiep donkerblauwe schaduwen tusschen de heuvelen en rotsen, die de stroomende rivier omgaven. Daar over heen is een breede brug gebouwd, die de Stad Sevilla met zijn voorsteden verbindt.

Het gezelschap bereikte Cádiz. Er heerste een kleurrijke chaos totdat ‘een heer‘ ten tonele verscheen met ‘snorren waaraan heel wat te draaien viel‘.

AFRIKA.

Alles werd door hem tot rust gebracht en wij vernamen spoedig, dat het de gezant van den Koning van Spanje was bij den Sultan van Marokko, die hier kwam om morgen met dezelfde boot, waarmede ook wij zouden gaan, naar Tanger over te steken.

Daar wilden wij heen: Afrika, Marokko, Tanger. Een nieuw werelddeel, eene Mahomedaansche maatschappij; de hitte en de zeereis overziende, gingen wij het donkere Afrika met nieuwsgierige blikken tegemoet.

Dit hadden wij nog niet op onzen tocht gehad, zeven uur op zee en geen beste zeevaarder

Onze eigen zeevaarder was uitstekend en binnen drie uur meerden wij in de Marokkaanse haven.

Van bovenaf zagen we een kolossale BMW uit Nederland oprijden naar de afrit van de boot. Binnenin konden we twee gezonnebrilde snelle jongens onderscheiden. Hun lichtgewichtpakken aan klerenhangers achterin. Een pitpoes, in hotpants, achter het stuur.

De politieman, die op het dek druk doende is, wil ze even aanhouden. Maar de poes geeft gas en de wagen wipt over de afrit. De wetshandhaver graait naar zijn fluitje en een snerpend geluid vult de avondlucht. Maar de instructies vanuit de auto zijn anders en de BMW stuift weg in een spectaculaire stofwolk.

De man in het uniform koelt zijn woede op een paar niet-gemotoriseerde landgenoten, en vervolgens op een Belgisch gezelschapje, dat in een poging de BMW-truc na te doen, met hun even monumentale Citroën bijna te water raakte.

Geholpen door allerlei armen en handen, die men niet onderscheiden kon, stapten wij uit. Geen omnibus, geen hoteljagers, alleen een dringen en stooten om de bagage te lossen en weg te dragen. Door onzen in deze opwinding bedaard blijvenden gids liep alles goed van stapel en stonden wij na eenige stappen op Afrikaanschen bodem gedaan te hebben, voor de douanen van den Marokkaanschen sultan – welke gestalten!

Bij ons geen omnibus, maar wel hoteljagers en de handige Ali die zich ongevraagd als onze gids voorstelde.

Ook voor mij was het een Afrikaans debuut en net als Israëls

stond ik verbaasd en getroffen; ik zag voor het eerst eene Afrikaansche stad. Tanger lag als een panorama voor mij, schitterende in het zonlicht. Onafzienbare rijen witte woningen, torens en muren, als gestrooid over hooge en lage heuvelrijen. Alles was wit op den voorgrond, alles wit verder op, waar de torens en de moskee stonden, witte, hoog gecanneleerde muren met openingen, alsof het schietgaten waren. Wit, het was alles wit, tot in de verte, waar het stuitte op het heerlijke blauw der zee. Het blauw kwam tusschen al dat wit hier en daar te voorschijn, als de heuvellijnen naar beneden schoven, soms even, als zij een sterk dalenden afgrond op eene lage vallei afliepen; tot eindelijk het blauw der zee eene scherpe lijn tegen den horizon vormde, daar, waar de stad ten einde liep.

TANGER.

Wild, woest en vreemd is deze Mahomedaansche wereld; de straten bijna onbegaanbaar. ik vergelijk ze bij een krokedillenrug, zoo hobbelig.

Onze Ali sleepte ons uiteraard naar een tapijtenzaak, door hem gewichtig ‘art-school’ genoemd. De verkoper toonde ons trots een groot boek

en de getuigenissen van zijne bijzondere knapheid en eerlijkheid stonden in het Engelsch en Fransch in het boekje onderteekend, natuurlijk door namen, waarvan ik den eigenaar nooit had hooren noemen.

Maar tussen alle geluidsisolerende tapijten kregen Mauricio en ik tegelijk hetzelfde gevoel

het drong mij alles wat te dicht op het lijf en ik dacht, dat wij hier nu misschien onze roover- of moordgeschiedenis zouden hebben.

Maar dat alles is niets in vergelijking van de wonderlijke aandoening die u bevangt, als het eene vrouw is, die gij ontmoet. Waarlijk daar komt een grauwe linnen zak aangeloopen, schuivend langs den muur; ik lette op, maar kon zelfs van de oogen en voeten niets bemerken. Zulk eene verregaande verplichting legt de Koran de getrouwde vrouwen op; het is niet het zedelijkheidsgevoel, dat aan aller oog het schoon der vrouwen verbergt, het is het voorschrift van den Koran, dat de vrouw slechts haar lichaam ontblooten mag voor haar heer en meester. Zij beweegt zich langzaam tot zij stilhoudt aan eene, hoe zal ik het noemen. opening, deur of poort van een huis. In deze donkere diepte liggen een heele menigte kinderen als in den grond gezaaid. Het schijnt een schooltje te zijn en zij blijft aan den deurpost staan om haar kindje te halen. Zij opent tegen de donkerte der deur den doek, die voor haar gezicht hangt en het kind heeft haar spoedig ontdekt, maar niemand anders kan haar gelaat zien.

Veel vrouwen in Tanger zijn niet meer gesluierd, maar de ‘djellaba’ (Israëls ‘linnen zak’) is nog steeds in trek. Die wordt echter wel vaak gecombineerd met hoge hakken. Sommige vrouwen dragen een broek of een rok. Dat lijkt in Tanger een garantie om iedere vijftig meter door breed lachende mannen te worden aange­sproken.

GIBRALTAR.

Welk eene wreede tegenstelling tusschen Tanger en Spanje, Gibraltar.

Eene Engelsche stad, overal roode Engelsche soldaten met het schuine petje even op hun hoofd, alle winkels met Engelsche uithangborden, Engelsche dames en. heeren, keurig gehandschoend en met parasols in fijne rijtuigjes toerend; amazones en heeren te paard, het was hier en daar een stukje van Regentstreet. Gibraltar is eene rechtlijnige stad aan den voet van de rots

De grens tussen Spanje en Gibraltar is na lange jaren weer open en de cultuurshock is hevig. Binnen drie dagen in Spanje, Marokko en Engeland te zijn, is wat teveel van het goede.

Gibraltar is groter dan we dachten. Maar “Wacht maar tot je hier twee weken gezeten hebt”, zeiden ze ons in de London Bar, terwijl we ons tegoed deden aan ‘Meatpie, chips and peas‘. (De erwtjes traditioneel gifgroen en niet te eten, zoals dat hoort).

Gibraltar is en blijft een gevoelig punt, net als toen Jozef er een Spanjaard over sprak. Dat werkte als

een schok op onzen reisgenoot. “ Spreek mij nooit,” zei hij, “van Gibraltar, want dat is meer dan wij verdragen kunnen.

Och!” zei hij, “jullie hebt België ook nog niet terug, dat u door de Franschen afhandig is gemaakt. Zoo heeft ieder land wat; maar het spijt me toch, dat we over Gibraltar hebben gesproken.

De Gibraltarese vrouwen die wij ontmoetten waren overduidelijk: “We willen altijd Brits blijven, maar we zijn in de eerste plaats Gibraltar”. Eén van hen fanatiek: “Van mij had de grens helemaal niet open gehoeven” en van onder uit haar tenen: “Oh, I love my rock!“.

RONDA.

Het was een stille en wonderschoone avond, zooals men dien bij ons niet kent; de hitte had plaats gemaakt voor eene aangename weldoende warmte, de lucht was rood van goud, besprenkeld met kleine azuurblauwe wolkgestalten, de begroeide vooropstaande bergtoppen stonden met diep donker groen tegen den gloed der ondergaande zon. Onze wandelplaats had als verste punt een hooge vlakke rots waar een groot ijzeren hek was aangebracht om niet in de diepte te storten. Daar vlijden wij ons neer. Ver beneden ons langs afhangende gronden, lag het dal; groote, breede schaduwen bedekten de kronkelende voetpaden, met zacht gedruisch snelde een bergwater naar beneden, een glinsterende lijn teekenende in de donkere vallei

Net als het illustere gezelschap uit de negentiende eeuw maken we een wandeling onder de kliffen.

Daar kwam zoo waarlijk een groote bruine arend vlak boven mijn hoofd uit eene rotsspleet vliegen, eenige kringen beschreef hij hoog boven mij, ik greep mijn stok alsof ik werkelijk daar iets mee had kunnen uitvoeren; gelukkig echter als prooi scheen ik hem niet te bevallen.

Valken zien we wel, maar geen arenden.

Boven in het stadje besluit ik een paar mannen te vragen naar de grote vogels. Ze zitten bij

een groot verweerd marmeren bassin. Daaromheen hangen of zitten lieden, die wachten of die uitrusten. Hier in Spanje rust men veel uit.

“Eén of twee zijn er nog”, zegt er een. “En hij heeft er nog eens een gegeten”, voegt hij er al wijzend aan toe. De bewuste arend-eter grijnst trots en tevreden.

Het bleek de dag van de processie voor de Virgen de la Paz.

Maar daarbij was het niet de bedoeling

dat er in de hooge hemelen eene samenzwering in aantocht was tegen de vromen hier beneden. Donkere wolken hadden zich lang reeds boven onze hoofden samengepakt; plotseling flikkerden een, twee bliksemstralen door de lucht, een hevige donderslag volgde, daarop een stroomende regen.

Weliswaar keerde het tij

de wolken hadden zich geheel opgelost; en waarlijk, in den tijd van een half uur, daar was zij weer, zij, de heerlijke, de geweldige, de heerscheres van Spanje – de schitterende zon.

Maar toch werd het weer door de hoogwaardigheidsbekleders niet vertrouwd en besloot men de processie af te gelasten. De zestig mannen die het zilveren schrijn van de ‘Maagd van de Vrede’ hadden moeten dragen, konden naar huis. Maar tevreden was niemand, de vrouwen met hun prachtige pineta’s nog het minst.

Velen waren al uit de kerk het plein op gestroomd. Misschien

om den pater niet te storen die in den preekstoel tegenover mij eene rede hield, waarnaar niemand luisterde en waarvan het einde door ieder met smart werd verlangd.

GRANADA.

Des anderen daags weer vroeg in den morgen stond een waggelende omnibus met vier muilezels voor de deur om ons naar den ijzeren weg te brengen, want nu zouden wij nog het schoonste deel onzer reis aanvaarden: Granada, het Alhambra, de Sierra Nevada.

Bij onze aankomst in Granada werden wij begroet door donderslagen en stroomenden regen. De weg naar ons hotel was wederom een reisje op zichzelf; de stad ligt in eene kom, aan den voet der omringende bergen, maar het Alhambra-gedeelte is hooger op. Ver boven de laag gelegen stad, voert een hooge weg daarheen. Het is eene breede, goed onderhouden weg, aan weerszijden met hooge olmen begroeid en hier zijn twee uitmuntende hotels voor den toerist, die zich eenige weelde veroorloven kan.

Granada, het laatste bolwerk van de Moren, weet zich dankzij de Arabische overheersing in het rijke bezit van een ongekende lusthof, het Alhambra.

HET ALHAMBRA.

De muren zijn vol figuratieve teekens, allerlei versieringen, die vroeger waarschijnlijk gekleurd waren; Arabische letters moeten spreuken uit den Koran aanduiden, die betrekking hebben op regeering en volk. Van de eene gaanderij gaande, komt men weer in andere, groote en kleine, waarvan sommige verrassende doorkijkjes geven naar het gebergte ofin andere zalen en ruimten. Alle hebben andere versieringen en andere spreuken. Een der merkwaardigste is die waar de beroemde Leeuwenfontein staat,

maar … dit is het groote maar: de kleuren der arabesken en letters zijn uitgewischt, de fonteinen springen niet, er is geen water in de bassins

Zoo zat ik lang met mijn hand onder het hoofd te mijmeren in het Leeuwenpatio. Ik keek eens rond en dacht: waar zijn de zangvogels, die zich moesten nestelen in het omringend groen? waar zijn de vloermatten om op te bidden en de lange turksche pijp om uit te rooken? waar de wapenrekken en schilden met banieren en pluimen? Niets van dat alles is hier te vinden; de kale muren staan daar verbleekt en ontkleurd, en met hunne spreuken zijn ook de versieringen bijna onzichtbaar geworden.

De Moorse bouwstijl is zo elegant, dat we het gebrek aan kleuren helemaal niet als een gemis voelen.

Alle vijvers zijn gevuld. De fonteinen springen weer en de goudvissen zwemmen tussen de waterplanten door.

Op eenigen afstand van het Alhambra, na eene schoone wandeling van een half uur, ziet men een klein gebouw, ook in den trant van het Alhambra, het Generalife. Ook dit is zeer vervallen, vooral van binnen, maar toch was daar bij den hoofdingang, in den omringenden tuin, een gedeelte, dat door den tegenwoordigen bezitter in orde werd gehouden. Daar was ook, evenals in het Alhambra, een langwerpig vierkant waterbassin met wit marmeren randen omzoomd, maar waarin het frissche water heerlijk stroomde en bij den ingang, tegen de muren aan weerszijden van de deur, stonden hooge rozestruiken met hunne kronkelende takken en heldere bloemen. Zij schitterden van kleur op den grijzen wand en weerspiegelden hun vorm en kleur in het water aan onzen voet.

Een dag later ontmoette Israëls tijdens een wandeling een ‘Engelsche miss’.

Alleraardigst was zij in haar grijs pakje en loshangende blonde krullen, waarop een keurig hoedje bevestigd was; zelfs het lorgnetje, dat heur eene oog bedekte, stond niet kwaad. Na eenige oogenblikken voor zich gestaard te hebben, keerde zij zich naar mij. “Sir,” zeide zij, “gij zijt immers een der Dutch painters die in het hotel gelogeerd zijn, waar ook wij verblijven?”

Zij babbelde verder en zei: “wij hebben een clubje, waar alleen over kunst gesproken mag worden. Wij trachten daar eene andere kunst te scheppen dan de gewone schilderijen. You know, altijd zoo alles naar de natuur, dat is vieux jeu; wij willen alleen de natuur gebruiken om symbolen voor onze gedachten te vinden en dan… dat schilderen naar de natuur is zoo moeilijk, veel te moeielijk voor ons meisjes.” Zij haaIde een keurig flaconnetje voor den dag en rook er aan. “Ik ben wat zenuwachtig aangedaan,” zei ze, van een boek, dat ik bezig ben te lezen, Sorrows of the night, het is zoo heerlijk aandoenlijk.” Zij wischte een traantje weg en rook heftig aan de flacon. – “Kom, kom,” zei ik, het doet mij toch genoegen, dat uw teint onder al die sentimenten niets geleden heeft.” Toen keek zij, als opgelucht, weer vroolijk op; “vindt u,” zei ze, “ik begon werkelijk toch al bang te worden, dat ik er oudachtig uit ging zien; gij zijt als vreemdeling onbevooroordeeld en een komplimentje doet mij heusch goed; zij zeggen mij nu al, dat dit hoedje voor mij te coquet is.” “Niet het minst,” riep ik, “het staat u uitstekend en zonder dit hoedje zou uw ensemble niet volkomen zijn.” “0,” zei ze: niet weinig in haar schik, “gij moest eens zien, op onze dansvereeniging heb ik een costuum aan, dat zou u bevallen.”

Het Hollandse driemanschap bewoog zich weer naar het noorden

NAAR VALENCIA.

het was ons plan naar Valencia te reizen, dan Barcelona te bezoeken en zoo Frankrijk te bereiken

Ze kwamen in de buurt van de beroemde stad

Olijfboomen groeien hier bij honderden langs den weg en omringen de rijstvelden, waardoor allerlei waterstroompjes glinsteren en komt men eindelijk bij Valencia, dan is het werkelijk de naam waard, dien de Spanjaarden het geven: Huerta de l’España, de tuin van Spanje. Aloës, die door grijze rotsen hun geweldige gepunte bladeren steken en dan, omringd door rozen, die hier overal in het wild groeien. Palmboomen steken hunne vreemde kruinen er overheen en oranje- en citroenboomen, groen en goud, zou men van den weg kunnen benaderen. Zoo komt men Valencia binnen.

Een vroolijke stad is Valencia. Het stugge Spaansche is hier meer in het openbare leven weggeborgen dan elders. De markt vooral is het, middelpunt der drukke beweging. Wat was hier niet al te koop bijeen!

Maar er was meer op de markt te zien: “…vele dames en dienstmeisjes“.

Zij waren meestal coquet gekleed, wetende dat zij nog meer het aanlokkelijke der markt waren, dan de te koop geboden voorwerpen. Op bestudeerde manier droegen zij hare mantilla’s over den arm of lieten ze, eerst om het hoofd geslingerd, op den schouder afdalen; de volheid en gloed van het hoofdhaar, altijd in het midden versierd met een roos en de gebloemde bovenlijfjes deden de valsche ringen en armbanden vergeten, maar haar voornaamste bekoring was de elegante beweging, de chic van haar heen en weerdraaien, van haar gaan en staan, en de oude moeders, die achter de manden zaten, en de kooplui met schalen en gewichten waren onder het k1aarmaken der gegeven orders vol grappen en pret.

Als fotograaf had Mauricio het af en toe moeilijk met het achterhalen van ‘bewegende doelen’. Voor een schilder is dat nog kwellender. Zo verzuchtte Jozef na het zien van een mooie man:

Dat is de kwaal van het schildersbedrijf; men wordt door iets getroffen en voorbij is het, vóór men het behoorlijk kan bestudeeren en honderden hinderpalen doen zich voor, als men een of anderen greep uit het leven wil vasthouden. Deze bedaarde, groote Heer-oom zou mij stellig met een blik van verachting verpletterd hebben, indien ik het had durven wagen hem met mijn voorstel aan boord te komen. Ik was echter al blij hem gezien te hebben en keek hem lang na als een heerlijke prooi, die mij ontsnapt was,

Twee van Mauricio’s meest vluchtige prooidiertjes waren twee nuffige dametjes uit Mérida.

NAAR BARCELONA.

Inderdaad deze spoortrein naar Barcelona begint wat harder te rijden, minder kleine stations worden aangedaan; wij gaan dan ook naar een stad van industrie en groothandel

BARCELONA.

Wij waren spoedig op de plaats onzer bestemming, maar toen wij Barcelona doorgereden hadden en eindelijk voor ons groot en ruim hotel stil hielden, dat op de Rambla gelegen was, scheen het ons, alsof er een groote volksoploop met ruzies en standjes juist op dat oogeoblik plaats had, maar onze deftige breede padrone nam, ons begroetend, zijn zwart kapje af en zeide: “Este nada, Señores, es la Rambla”; op de Rambla is het altijd zoo, men wordt omvergestooten van de drukte en het gewoel en dient zich door de kracht van zijn ellebogen den weg te banen, dien men noodig heeft.

Ook wij kwamen direkt in een grote oploop terecht.

Er was iets aan de hand met een van de vele travestieten die de Rambias bevolken en een tasjesrover. Ze werden allebei gearresteerd. In een reflex richtte Mauricio zijn camera en drukte af. Een zee van flitslicht toonde de menigte, de geheel opgemaakte travestiet, de tasjesrover en de politie, die mijn fotograaf in één moeite door, samen met de arrestanten in de auto schoof. Een hele heisa.

Voor wie het Spaansche leven wil zien, is Barcelona op het eerste gezicht niet de rechte plaats. Het wordt dagelijks gemoderniseerd en veranderd en, zooals men dat noemt, verfraaid. De Rambla is het middelpunt der beweging, het is een straat, die, evenals een rivier, van de hooge stad klein en smal begint en zich langzamerhand tot een boulevard met boomen verbreedt en eindelijk met een plein eindigt tot op de haven.

Wij vonden onderdak in Hotel Oriente, waar Israels vrijwel zeker ook verbleef. In de kamer van de directeur prijkt een mooie foto aan de muur. Daarop is de Sultan van Marokko op zijn balkon te zien. Deze logeerde in 1915 enkele maanden in het hotel met een gevolg van vijftig personen. Iedere dag verscheen hij om klokslag twaalf uur op zijn balkon en wierp vanaf daar geld in de menigte.

Barcelona is de eigenlijke stad van Spanje, die het rijk met het overige Europa verbindt; hier is niet dat langzame onverschiIlige, dat de overige Spaansche steden, zelfs Madrid, kenmerkt; hier heerscht leven en beweging. Matrozen, werkvolk van de fabrieken, voerlieden en pakdragers verdringen elkander op de straten. Vooral op het ruime plein waar het standbeeld van Columbus staat, is een levendig vertier, dat aan eene Europeesche handelsstad doet denken.

En nu staat Spanje aan de vooravond van toetreding tot de EEG. Dan zal de scheiding tussen Spanje en Europa, die Israëls nog duidelijk zag, geheel zijn vervaagd.

Een minder prettig aspect van het ‘levendig vertier’ in de ‘Europeesche handelsstad‘ Barcelona is de direkt merkbare criminaliteit. We hadden er meteen mee te maken en het is de vraag of Israëls fraaie methode nog afdoende is:

Daar voelde ik mij gezellig op de schouder kloppen, alsof een oude bekende mij even wou aanspreken. Ik keek om en zag een kerel met een grooten knuppel in zijn hand voor mij staan. In een idioom, waarvan ik niets verstond, sprak hij. mij aan en stak toen zijn kolossale hand uit om een aalmoes. Ik was zeer geërgerd over het brutale doen van den man, keerde hem den rug toe en deed alsof ik iets wou opteekenen; maar een jongetje dat bij hem stond, ook al van hetzelfde soort, schreeuwde mij in duidelijk Spaansch in het oor: hij moet wat geld van je hebben, begrijpt señor dat niet? Ik verdraaide het nu eenmaal en trok een gezicht alsof ik er niets van begreep, en toen zijn groote kameraad weer op mij afkwam, schaterde hij het uit en riep hem toe: hij is niet wijs, laat hem maar gaan, hij weet volstrekt niet wat gij hebben wilt.

Wat zou Jozef gezegd hebben van de werken van kerk Sagrada Familia of het Parque Güell? Gaudì, die op vergelijkbare wijze aan zijn eind kwam als zijn zoon Isaac. De laatste aangereden door een auto, Gaudì door de tram.

Een andere parel in het hedendaagse Barcelona is het Picasso-museum. Een openbaring.

VERTREK UIT SPAN]E.

De dagen van onze reis door Spanje waren geteld, des anderen daags zouden wij de grenzen over trekken en door Frankrijk tot Perpignan reizen. Nu niet weer in eens over Parijs naar huis, maar langzaam met kleine dagreizen vingen wij onzen terugtocht aan.

Spanje’s prestigetrein, de Talgo, heeft vijf uur en vijfentwintig minuten nodig voor de afstand Barcelona-Avignon.

Wij doorreisden een vriendelijk met bergen en watervallen afwisselend landschap en toen wij Avignon bereikten was het natuurlijk dat wij het bekende liedje zongen:

Sur le pont d’Avignon l’on y danse et l’on y danse

Sur le pont d’Avignom l’on y danse tout en rond.

Maar het zingen houdt op als men de beroemde stad bereikt heeft. Sombere kleine straatjes, oud en toch niet mooi, met hier en daar een enkele moderne straat. Gelukkig vonden wij een goed onderkomen in ons hotel, dicht bij de groote rivierbrug, die wij zooeven hadden bezongen.

De rivier is de Rhône, de held van dit romantisch land, hij is het, die ons Avignon deed waardeeren. Aan den voet van den grooten berg waarop Avignon gebouwd is, loopt zijn snel stroomend water met groote golven naar zee en geeft aan de slapende pausenstad leven en beweging.

Het bleek Pinksteren te zijn en de stad was bomvol.

Eindelijk komt men op een ruime plaats; dat het hoogste punt van de bergstad is en waarvan de straten naar beneden dalen. Oude gebouwen zijn hier en een plantsoen geeft het einde van den bergrug te zien, en hier verrijst, in het midden het hoog opgetrokken paleis der pausen.

Maar er is een gezelliger plekje.

Er is toch ook een gedeelte der stad dat men het drukke gedeelte kan noemen; hier is de markt, hier is de beurs,

Op de Place de l’Horloge staat een mooie caroussel. Een klein marionettentheatertje trekt wat serieus publiek. Iets verderop geven een paar Spanjaarden een wervelend dans- en gitaarspektakel weg, tot wanhoop van de fakir die er op zijn glasscherven wat hulpeloos bij staat.

Israëls wandelt de volgende dag wat door de stad

en tusschen dit alles in kwamen wij op een pleintje, dat Place Jérusalem heette.

Daar zag ik een Hebreeuwsche spreuk staan op een klein laag gebouw; dat was de Synagoge.

Hij ontmoet er een gevluchte Russische jood die zich zorgen maakt voor de toekomst.

Het ergste is nog, dat mijne kinderen zoo van alles vervreemden. Geen woord Hebreeuwsch wordt hun geleerd en ik vrees, ik vrees, dat zij hun afkomst niet meer weten te waardeeren.

Bij het betreden van de synagoge, bijna een eeuw later, staat een jongen er te lezen in de Torah, onderwezen door de rabbijn.

Israëls wandelt verder.

Spoedig had ik het benedengedeelte der stad bereikt. De beroemde oude brug, waarvan het liedje spreekt, was daar; ik zag er echter niet op dansen, het was er eenzaam en verlaten, ook zou men de brug niet over kunnen dansen, zonder in den diepen zwellenden stroom neer te storten, want een groot gedeelte van de brug is weggeslagen en het nog bestaande vormt eene ruïne midden in het water.

Avignon toch was de laatste plaats, die voor ons reisplan als belangrijk was aangeteekend. Onze zwerftocht was geëindigd, eenige dagen reizens nog en het vaderland zou weer voor ons opdoemen. Ik stapte de brug over, klom langzaam de straat op naar mijn laatst vreemd nachtverblijf en trachtte mij in slaap te wiegen met gedachten aan eigen huis en haard.

De supersnelle TGV staat blakend van kracht stil te soezen op het station van de Pausenstad. De gestileerde neus richting Parijs. Onze reis is voorbij.

En den lezer die mij tot hier gevolgd heeft, wil ik nog zeggen, dat wij behouden en wel in het vaderland terugkeerden; familie en vrienden juichten ons toe bij onze behouden aankomst, maar de hand die vroeger het warmst werd uitgestoken om mij te ontvangen, zij was er niet.

Een hand die nog niet eerder naar mij werd uitgestoken, die was er wel.

© 1985 joost overhoff

*

Mejuffrouw Aleida Cohen Tervaert overleed de dag na onze thuiskomst.

*

‘Spanje’, door Jozef Israëls / Martinus Nijhoff, 1899

*

TERZIJDE

Over

Mauricio Rubinstein / Director of Photography

Leentje van Hengel / Kunstenaar/ontwerper en maker van textiel

– Israels bezocht ook een stierengevecht. Recentelijk verscheen op de site mijn eigen verslag van zoiets : De Stier.

– Vele jaren later kwam ik opnieuw in contact met het tijdschrift Elegance, ditmaal in verband met de publicatie van Het Wonder. Men was daar zo van onder de indruk dat ik het waagde ze te vragen nog eens naar het Spanje-beeld te zoeken. Tevergeefs.