622. Nutaal

Al maken we vorderingen, tegen de tand des tijds valt weinig te doen. Ook niet tegen hoe die knaagt aan de taal. Dat geknabbel gaat doorgaans op twee manieren: vanzelf, door ‘de mensen’ en gekunsteld, door commissies. Al laten die laatste zich niet zelden wel weer door de mensen leiden. Neem de tussen-n. Die regel werd aangepast ter ere van de minst begaafden. Daardoor zitten we nu alweer tijden met de ‘pannenkoek’. Goed, daar ga je dan een tijd tegenin en weigert die n in je pannekoek even fanatiek als pindakaas. Maar ooit geef je je over.

Hoewel, met de spontane overgang naar ‘gelijk’ in de betekenis van ‘meteen’, bijvoorbeeld, zal het me waarschijnlijk nooit lukken. Telkens als ik iemand hoor zeggen dat hij ‘het gelijk gaat doen’, zeg ik er meteen in stilte bij: ‘Meteen’. Alsof ik het foutieve ‘gelijk’ moet herstellen. Ook geef ik er een geluidloos college bij: dat gleich, daarentegen, wél goed is. In het Duits.

Zinloos natuurlijk, er is geen kruid tegen gewassen. Tot mijn grote verrassing liet laatst iemand mij weten dat hij nog weleens een oud stukje van mij te berde brengt. Daarin lamenteer ik tegen een lerares Nederlands over de teloorgang van onze taal, waarop ze zei: ‘Je vergist je. Jij staat stil en de taal ontwikkelt zich’. Zo, in goed Nederlands: knock-out. Fijn, dat mijn gloriemomenten bij derden nog zo scherp in het geheugen staan…

Het is op zich niets nieuws: je hebt de ‘nutaal’, de taal van nu, versus de ’toentaal’, die van toen.

Wat zich ook ontwikkelt zijn de manieren om iets te omschrijven. Neem het winnen van medailles, een terrein van schier onbeperkte wildgroei.

(Heeft iemand weleens bijgehouden in een grafiek hoe er steeds meer te winnen valt? Kunstzwemmen, snowboarden, curling… Voor alles een medaille).

Maar daar gaat het me nu even niet om (anders wel). Nee, het gaat me om de eigentijdse omschrijving voor het winnen van zo’n ding. Vroeger was dat het, je ‘won’ iets. Nu lees ik bijna standaard: hij of zij ‘pakt’ goud, of zilver. Dat voelt heel anders aan.

Zeker, ook voor ‘winnen’ moet je de beste zijn en toch heeft het nog iets nederigs. Ook klinkt er nog een zekere consideratie in door voor de tegenstander. ‘Pakken’ heeft meer iets agressiefs. Is harder. Iets nemen wat je toekomt (of niet), zonder nog oog voor de ander. Meer passend bij ‘oortjes in’ op straat.

Eerder deed een gelijkaardige verandering in het spraakgebruik zich al voor bij de menselijke voortplanting. Vroeger ‘kreeg’ je kinderen, inmiddels worden ze ‘genomen’. In dat ‘krijgen’ zat nog een gevoel van een geschenk, bij ‘nemen’ niet meer.

Zeker, in beide gevallen moet je er nog iets voor doen, maar bij het eerste was er nog een besef dat een kind toch iets van een wonder was, alleen mogelijk door dat waar je juist niets voor had gedaan, zoals het bestaan in het algemeen en dat van jezelf in het bijzonder. Tegen de tijd van het ‘nemen’ was een kind alleen nog het simpele gevolg van de eigen planning.

Ook nieuw: ‘je mag’. Toen ik het voor het eerst hoorde in de nieuwe betekenis, snapte ik het niet. Iemand zei me: ‘Je mag me dat sturen’. Ik dacht ‘Mogen?! An me hoela!’, en stuurde hem niks.

Het duurde even voor ik begreep dat ik achterliep. De vertaling in ’toentaal’ was: ‘Zou je me dat willen sturen?’ Nóg toener: ‘U zoudt me een plezier doen als u me dat zoudt willen sturen’.

Toch zou het niet kloppen als je dacht dat hij eigenlijk zoiets als dat laatste bedoelde. Zijn ‘Je mag me dat sturen’ was meer in lijn met het ‘pakken’ van een medaille.

‘Je mag’ is trouwens meer. Tegenwoordig. Laatst fietste ik langs een auto, toen ik van daaruit toegesproken werd. ‘Je mag even afstappen’, klonk het. Toen zag ik het pas: op de zijkant van die auto stond de tekst Handhaving.

‘Mogen’ in nutaal is nu vaak wat in toentaal ‘moeten’ was. En in één moeite door leerde ik dat in nutaal ‘even’ behoorlijk permanent kan zijn.

Zo raak ik gaandeweg in de war bij mijn eigen taal. Toen ze me vanuit die auto zeiden dat ik iets ‘mocht’ zei ik bijna ‘Bedankt’.

Als ze me toespreken met een Vlaamse tongval, dan gaat het nog. Dan weet ik: hij zegt ‘juist’, maar bedoelt ‘precies’. In mijn eigen woordenboek.

Maar te NL verlies ik het spoor. Dat is mijn probleem juist/precies.

‘Goed’ = pannenkoek. ‘Fout’ = zorgenloos, zelfs al heb je er meer.

Het goede nieuws: zeker niet alle nutaal is minder feestelijk dan toentaal. Neem ‘Fijne dag!’ Wanneer werd die ‘nieuwe’ wens eigenlijk juist/precies geboren? Hij leek er zomaar opeens te zijn.

Sommige mensen vinden het niks, ‘Fijne dag!’ Ikzelf, daarentegen, vind het: fijn. Alles met ‘fijn’ vind ik fijn.

Dus hierbij, ook voor u & voor jullie: …

TERZIJDE

– Het bovengenoemde ‘oude stukje’ = Capucinno

– Knock-out in het Engels: knockout.

– Eerder over ‘Vlamederlands

– Ik weet het: ook onze zuiderburen moeten het doen met die opgedrongen tussen-n.

Maar te midden van hun eigen rijkdom is ‘een pannenkoek’ ook: een niet-getalenteerd persoon.