Er verschijnt een grijze, tengere gestalte. Een Duitse vrouw. Grijs vestje, grijze broek, grijze haartjes, misschien ook grijs van binnen, maar drama? Hoezo?
De B&B-Madame legt uit: ‘Ze komt uit het ziekenhuis, daar waren ze al de hele dag’.
Ziekenhuis? Ze ziet er ongeschonden uit. Maar ze is het niet. Ze is ten prooi gevallen aan… een randje. Zo is ze met haar hoofd gevallen tegen een stalen container, voor oud papier. Recycling, die haar eigen levenscyclus in de weg stond.
Van de container naar de scanner. Conclusie: haar schedel is nog intact, maar haar hersens hebben flink geschud. Voorschrift Nr.1: 48 uur complete rust.

Ook haar man doemt even later op. Onze eigen diagnose hebben we direct paraat: het tweetal is de kluts volledig kwijt. Ze denken erover direct haar huis te rijden, een idee dat door ons even direct in de kiem wordt gesmoord.
Dat krijg je als je maar oud genoeg wordt, maal twee: ervaring met (bijna) alles. Zoals met randjes. En geklutste hersenen.
Bij de vrouw begint, met vertraging, trouwens nog meer te schudden. Alles aan haar trilt nu, zelfs haar knieën klapperen tegen elkaar.
Erger nog, de B&B-Madame heeft telefoon gekregen, vanuit het ziekenhuis. Ze zijn daar nog iets vergeten. Ze moeten terug… En dat terwijl Madame juist zelf even uit had willen gaan. Samen met haar mari, haar echtgenoot die de indruk maakt dat die hele B&B van hem niet had gehoeven. Al komt het financieel natuurlijk wel goed uit.
‘Ga maar’, zeggen we, ‘wij ontfermen ons wel over jullie gasten’. We voegen alvast de daad bij het woord en schuiven mijn zonnebril over de bril van de patiënte.
Daar gaan ze weer, terug naar hun tweede Eerste Hulp. Wanneer ze opnieuw arriveren horen we de reden van hun retour: in het ziekenhuis waren ze nog een injectie vergeten. Tetanus. Terwijl de vrouw kon teren op een nog geldige prik van thuis.
Tja, het Duitse echtpaar is verliefd op Frankrijk, maar zonder het spreken van de taal. Google kon wel wat assisteren, maar kennelijk niet voldoende.
Volgende prioriteit: iets eten. De echtgenoot wil zijn vrouw niet alleen laten. Ze heeft last van paniekaanvallen. Daarop aanvaardt mijn lieftallige reisgenote de rol van adult sitter en ga ik met Der Mann op pizzajacht.
Het wordt ‘Mama mia’, een afhaaladres. Hm… Drie mmm’en, maar toch nog één te weinig. Kan dat dan wat zijn? Wel degelijk.
De pizzaiola blijkt een vrouw die alles alleen moet doen: orders opnemen, alle pizza’s voorbereiden, bakken, inpakken en afrekenen.
Terwijl ik haar al die ballen in de lucht zie houden, roep ik haar toe dat ik haar bewonder.
Ze zegt, simpel: ‘Het moet’.
In mijn fantasie zie ik in haar een alleenstaande moeder, die knokt met grote grinta, zoals ze zeggen in het echte pizzaland, daar waar een maman een mamma is.
Haar bezig zien is… ontroerend.
Voor we er weggaan schrijf ik op de achterkant van onze bestelling:
Medaille d’Or
Mme Mama mia
en leg dat op de balie. Hoe ze echt heet, ik zal het nooit weten. Toch doe ik ook achteraf voor haar mijn best:

Met onze eetbare buit vertrekken we weer naar onze B&B. De patiënte komt ervoor naar beneden.
Daar zitten we dan gevieren, geheel onverwacht. Vanwege dit noodgeval zijn we per direct aan het duzen gegaan, voor Duitsers geen vanzelfsprekendheid.
We zetten ons aan de ooit warme pizza’s, terwijl ik probeer de vrouw wat op te beuren: ‘Voor paniekaanvallen hoef je nu niet meer bang te zijn, want het erge dat gebeuren kon is al gebeurd’.
Helpen doet het niet. Haar paniekaanvallen heeft ze sowieso en er kan altijd iets nóg ergers gebeuren… Zo kan alleen al blijken dat die knal van vanmorgen alsnog grote gevolgen heeft.
Dan maar een slokje wijn. De Elzasser Pinot Gris die ter tafel komt blijkt demi-sec. Op zich een ontdekking die op mijn beurt voldoende is voor een demi-paniekaanval, maar het valt mee.
Daarbovenop komt onze B&B-Madame nog aanzetten met wat als slaapmutsje voor het gekwelde stel afdoende zou moeten zijn. Mirabelle. zelfgestookte pruimenlikeur.
De volgende morgen verschijnen de onfortuinlijken aan het ontbijt. Goed geslapen hebben ze niet. De vrouw klaagt vooral over pijn in haar nek, zweepslagachtige spierpijn.Voor we vertrekken geef ik haar nog een zachte nekmassage en laat haar man zien hoe dat moet.
Als we al onze spullen hebben ingepakt komen we ten afscheid nog even bij ze langs. De tengere vrouw ligt nu in bed en klappert weer, op en neer dit keer, en huilt tranen met tuiten.
‘Alles gaat goedkomen’, sussen we en dalen af naar onze stalen rossen.
We vinden een alternatieve route terug naar de Moezel. In de ochtendlucht is het heiig en stil. In de verte stijgen de witte wolken van de kerncentrale ten hemel. De koeien kijken er niet meer naar, wel naar ons.
Niet veel later is het zover. We krijgen te zien waar niets aan te zien is. Eindelijk.

En wat is dat dan? Schengen, de plek van het verdrag dat voor Europa zoveel betekent. Open grenzen, ja!
Inmiddels ken ik iemand die tijdens een Europese wandeltocht juist in Schengen werd tegengehouden om nog verder grensoverschrijdend te doen, maar dat kwam door corona.
En recentelijk wordt er links en rechts aan dat open grensverkeer weer steeds meer paal en perk gesteld, maar toch. Dit moet de minst indrukwekkende beroemde plek ter wereld zijn.
In het fascinerende genaamde Wasserbillig nemen we afscheid van de Moezel en wenden de steven naar het noorden, langs de Sauer.
We houden er halt bij een hartveroverende herberg. Niet in het minst vanwege de De Drie Zussen van het etablissement. Helaas is de keuken er dicht. Ze vieren het einde van de wijnoogst, onder elkaar.
Toch schenken ze ook ons voor de gelegenheid een glaasje sekt. Vooruit. Normaal kan je mij voor een glaasje sekt niet ongestraft wakker maken. Ook niet voor champagne. Maar dit…, dit is een sensatie. Sekt van de oeroude druivensoort Elbling. Sekt om lyrisch van te worden, wie had dat gedacht? Dan moet alles mogelijk zijn.
Zelf zijn De Drie Zussen lyrisch over hun oogst van dit jaar. Zij ook al, net als in de Elzas.
Hier, net over de Sauer, zijn we in Duitsland. Het riviertje fungeert als grens. Verderop gaan we uit de flank en dringen diep door tot in Luxemburg.
Daar stuiten we zowaar op een echte Italiaan, die dat ook wil laten weten, zo blijkt uit grote letters. ‘L’Italiano’ staat bij zijn uitspanning aan het water, al woont hij hier al veel langer dan in zijn vaderland.
Op zijn zwarte T-shirt staan kleinere letters, die echter hun uitwerking op ons niet missen. Ze versterken zijn norse, ronduit boevige uitstraling in niet geringe mate. Het is de naam van een van de twee meest notoire mafiafamilies in een beroemde Italiaanse tv-serie.
Het is een onderwerp dat we wijselijk laten rusten. Wel spreken we hem toe in zijn moedertaal en na het bereiken van wat wel een ‘kritieke massa’ heet, begint L’Italiano te ontdooien. Om niet te zeggen: te smelten. Zozeer, dat hij ons zelfs deelgenoot maakt van een verbluffend geheim…

Wordt vervolgd.
TERZIJDE
