Over JOKE

Een prachtige vrouw, van tegen de honderd. Joke Folmer, verzetsstrijdster in ruste, zit er kraakhelder bij.

Na het verhaal ‘Over YET’ werd het mij duidelijk dat één van Yets ‘reis’genoten nog in leven was. Die wilde ik natuurlijk ontmoeten. Zo gezegd, zo gedaan.

Het is late lente 2021. Mevrouw Folmer is bijna 98. En niets wijst erop dat ze de honderd niet zou kunnen halen, al had ze natuurlijk al honderd keer dood kunnen zijn. Om niet te zeggen ‘moeten’ zijn.

In 1944, als jonge vrouw van amper twintig, had ze al een indrukwekkende rij verzetsdaden op haar palmares toen haar groep verraden werd, het doodvonnis een feit. Het wachten was alleen nog op bekrachtiging vanuit Berlijn. Een formaliteit. Maar, zo bleek, van formaliteiten kan je nog ‘plezier’ hebben. Bureaucratie kan je het leven redden.

Wat gebeurde? Tijdens het draaien van de papiermolen kwam Dolle Dinsdag tussenbeide. De Duitsers, in paniek door de geallieerde druk vanuit het westen, begonnen gevangenen te verplaatsen naar het oosten. Daaronder waren ook terdoodveroordeelden, zoals Joke en Yet. Hun dossiers, inclusief hun vonnissen, reisden achter hen aan van gevangenis naar gevangenis, maar bereikten hen uiteindelijk (net) niet. Geen fax, geen internet. Zo werden ze ‘ongedocumenteerden’ avant la lettre.

We zijn weer in het heden. De mooie vrouw tegenover me neemt een slokje koude thee.

Het is natuurlijk niet zo dat je alleen maar fluitend bijna honderd wordt. Trappenlopen kan Joke niet meer en tot voor kort werd ze blind. ‘Kort’ wil zeggen: ruim een week. Van haar geliefde kranten kon ze alleen nog de koppen lezen. De huisarts had, in plaats van haar direct naar een specialist te verwijzen, een bezoek van een opticien voorgeschreven, maar die liet door corona maanden op zich wachten. Toen hij eenmaal kwam, had de brillenman zijn eigen soort ‘doodvonnis’ paraat: er viel niets meer aan te doen. Haar licht zou steeds verder uitgaan.

Daartegen kwam de verzetsstrijdster in verzet en kreeg zo alsnog een verwijzing naar de oogarts, die vroeg waarom ze niet eerder was gekomen. Diezelfde avond zag ze weer.

‘Ik ben er nog steeds high van’, zegt ze, uitgelaten, gelukkig. En boos. Ze is bezig met een brief op hoge poten. Strijdbaar is ze nog steeds, maar boos en krijgshaftig ziet ze er niet uit. Eerder lief.

Ze komt opvallend goed uit haar woorden en ook dat is een wonder. Een jaar geleden kreeg ze een TIA, precies op het moment dat een traumahelikopter vlakbij was tijdens een trainingsvlucht. Na dat korte herseninfarct kon ze geen woord meer uitbrengen, maar nu vertelt ze even welbespraakt als tandenknarsend over de teleurstelling dat ze tijdens die helivlucht niet vol bij bewustzijn was.

Ik kijk haar aan en vraag me hardop af of het voor een vrouwelijke verzetsstrijder een voor- of een nadeel betekent om mooi te zijn. Het antwoord wuift ze weg: ‘Ik wás helemaal niet mooi’.

En haar moed, zo jong al? Ook dat veegt ze van tafel: ‘Je wilde gewoon iets doen’.

Niet dat ze niet weet wat angst is: ‘Het komt over je als een golf’. En dat, zegt ze, is nu iets dat je juist op zo’n moment niet kan gebruiken. ‘Al je zintuigen moeten scherp zijn’ en angst verlamt je, maar telkens wist ze de knop om te zetten. En ook dat wat wij nu PTSS noemen, posttraumatische stress, is haar bespaard gebleven. Dat wel, maar veel ook niet. Vooral de gevangenschap, daar waar ernstige ziekten welig tierden, werkt fysiek nog door tot op de dag vandaag.

Hoe kwam ze trouwens terecht in het verzetswerk? Dat kwam zo.

Joke Folmer bracht haar jeugd door in Nederlands-Indië en schoof pas op haar zestiende aan in een Nederlandse schoolbank. Naast een Joods meisje, al spoedig een vriendin.

Jokes vader had veel interesse in de godsdiensten van de wereld en daardoor was ook het joodse geloof Joke niet vreemd. Vreemd was wel dat het meisje naast haar steeds minder mocht en op een gegeven moment zelfs van school werd uitgesloten.

Op een dag vond Joke het ouderlijk huis van haar vriendin op slot. Ze wist dat de familie een vluchtplan had en kennelijk was het zover. Pas na de oorlog zou ze horen dat die vlucht mislukte…

Intussen was ze gespot door een wiskundeleraar, via wie ze haar eerste clandestiene opdrachten kreeg. Wat begon met kleine koeriersdiensten, al gevaarlijk genoeg, groeide uit tot het smokkelen van mensen, waaronder geallieerde piloten op hun weg terug door de vijandelijke linies. Zoals door de tunnels van de Sint-Pietersberg en tot aan de oever van de Maas. ‘Als er aan de overkant rode sokken aan de waslijn hingen, was de kust niet veilig’.

*

La Petite

In het boek van Yet en elders wordt er gewag van gemaakt dat Joke er een hekel aan had te worden gezien als ‘kleintje’. Inmiddels tegen de honderd, relativeert ze nu: ‘Het was ook gewoon zo’. In het verzet, in de gevangenissen en tijdens haar onvergetelijke tocht terug naar huis, overal was ze de jongste.

In verzetskringen werden schuilnamen gebruikt. Joke werd daarbij aangeduid als ‘La petite‘. Toen de Duitsers haar netwerk begonnen op te rollen, vanaf Parijs, via Brussel tot in Nederland, verzuimden ze aan Franstaligen te vragen wat la petite betekent. Ze meenden dat zelf al te weten. Zo zochten ze naar een vrouw van een zekere leeftijd die klein van stuk was en zagen daardoor aanvankelijk het niet petieterige jonkie over het hoofd.

(Nog imperfect) in kaart gebracht: Duits organogram van Jokes verzetsgroep.
Rood omrand: de drie reisgenotes uit het boek van Yet.

Jokes jeugdigheid kon ook onhandig blijken. Een keer bevond ze zich op een treinstation, tijdens een missie waarbij ook mannen waren betrokken.

Daarbij viel ze in het oog van een tweetal dames van het Leger des Heils, dat op stations actief was om ‘meisjes in problemen’ te redden. De twee namen Joke apart, die de grootste moeite had de Heilsdames te overtuigen dat ze geen redding nodig had en dat ze, integendeel, juist bezig waren haar in problemen te brengen.

*

Joke staat op en rollatort naar de keuken. Daar zetten we ons aan tafel. Dozentijd. Dozen vol geschiedenis.

Ze pakt de eerste Nederlandse vertaling van het boek van Yet. Een mislukking, vindt ze.

Yet had een contract met een uitgever in het land van ‘The brave and the free‘, een land dat zo vrij niet bleek te zijn. Niet onbelangrijk voorbeeld: Yet had haar boek zelf in het Nederlands willen vertalen, maar dat mocht niet. Het klinkt verrassend onvrij socialistisch, maar die vertaling moest perse gedaan worden door iemand via de Amerikaanse vakbond. Maar eind goed, al goed: met de gloednieuwe vertaling van uitgeverij Cossee is Joke heel tevreden.

We grasduinen verder. Een notitieboekje, stampvol met handgeschreven teksten van liedjes die in de kampen werden gezongen. Er zijn zelfs Duitse titels bij.

Het zingen was goed voor het moreel, maar werd ook gebruikt voor het heimelijk doorgeven van boodschappen. ‘Vooral in het tweede en derde couplet’, onthult Joke. Favoriet lied daarvoor: ‘Die Gedanken sind frei‘.

Uit het boek van Yet komt Jokes hekel aan ‘de Duitsers’ duidelijk naar voren. Ik vertel haar dat mijn eigen vader, die ook jaren doorbracht in Duitse gevangenschap en in dat land nooit meer wilde komen, ons toch voorhield ‘dat er ook goede Duitsers bestonden’.

Joke Folmer beaamt het. Uit haar doos komt een boek van Dietrich Bonnhoeffer en een ander over Richard von Weizsäcker.

Persoonlijk bewaart ze bovendien de beste herinneringen aan de marine-aalmoezenier Arno Pötzsch, die terdoodveroordeelden begeleidde, tot op de dag van hun executie. Zo groot was haar waardering voor hem dat ze er na de oorlog in toestemde te spreken op zijn uitvaart, in Duitsland. In plaats van dat hij sprak op die van haar…

Zowel bij de Kriegsmarine als bij de Luftwaffe was het enthousiasme voor Hitler trouwens beperkt, zo weet Joke, en ze komt met een verhaal dat leest als een sprookje.

Oorlog is niet alleen donker, er is ook licht.


De Ene Piloot & De Andere

Er was eens… iets vreselijks. Dat vreselijke zou bekend worden als de ‘Tweede Wereldoorlog’.

Een geallieerd vliegtuig werd tijdens die oorlog neergeschoten boven Duits grondgebied. Het toestel stortte brandend neer in een bos, dat daarbij ook een prooi van de vlammen werd. Slechts één iemand overleefde het, een piloot.

Hij kan nog lopen en bereikt een stadje. Hinkend, stel ik me zo voor. Bebloed en met verbrande kleren, weet Joke Folmer.

Het stadje is in feeststemming, maar het is geen feest voor iedereen. Er is een grote viering aan de gang van de Hitlerjugend. Niet echt een gastvrij evenement voor vijandelijke piloten.

In plaats van hem gevangen te nemen begint er een lynchpartij. Lang hoeft zoiets niet te duren, maar lang genoeg om de aandacht te trekken van iemand in een meubelzaak, die afkomt op het moorddadige rumoer. Het is een Duitse piloot, die met verlof op bezoek is bij zijn vader. Een reus van een man, die bovendien door zijn positie prestige heeft. Hij komt tussenbeide en redt zijn Engelse ‘collega’ het leven.

Hij neemt de vijand mee naar het gemeentehuis. Dat helpt maar gradueel. De burgemeester haalt er een SS’er bij die de ongenode gast niet wil lynchen, maar standrechtelijk erschiessen.

Het loopt anders. Heel anders. De Duitse piloot weet de SS’er en de burgemeester op te sluiten in het stadhuis en zet de gewonde Engelsman achterop zijn motor. Zo weet het tweetal een krijgsgevangenenkamp te bereiken, waar de ene piloot de andere achterlaat.

Tot zover Akte Nr.1. Al ruim voldoende voor een sprookje, zou je zeggen. Maar er is meer.

Tweede Akte

De jaren gaan voorbij, vele jaren. Eindelijk is de Engelse piloot zover de confrontatie aan te gaan met zijn Duitse geschiedenis. In zijn woonplaats ziet hij een advertentie bij een reisbureau: een busreis met daarin ‘zijn’ stadje.

Hij vertrekt met zijn vrouw in die bus die halt houdt in dat stadje. En niet zomaar. De chauffeur moet rusten. Twee uur pauze. De ex-piloot struint door de straten en hij komt weer op het plein waar hij op een haar na zijn leven verloor. Op een hoek ziet hij de meubelzaak. Hij belt aan. En nog een keer. De deur gaat open. En wie staat daar? Juist.

De tijd is te kort. De Engelsman nodigt zijn Duitse weldoener uit voor een bezoek aan Engeland. En zo geschiedde. Er volgt een tegenbezoek en vanaf dat moment gaat het heen en weer. Andere vliegers komen erbij, de echtgenotes. Totdat ze bedenken er ook mensen bij te vragen die piloten smokkelden naar de vrijheid.

Joke betreedt het toneel. Eén keer, twee keer, en nog vaker.

Van vijandschap naar vriendschap.

*

Ja, busreizen en echtgenotes…

Eerst maar even de bus. Joke haalt een kartonnen plaatje tevoorschijn. Ik zit paf.

In het verhaal over Yet had ik dit geschreven:

Hoe was het geweest, die terugreis, dwars door het land van de verslagen vijand? Terwijl je als gevangene misschien gedroomd had dat er bij het openzwaaien van de knarsende hoofdpoort een limousine klaar zou staan, een riante wagen met chauffeur die je zou rijden tot aan een bordes in het vaderland waaronder een onafzienbare menigte je toe zou juichen…

Voor me ligt ‘ongeveer precies’ dát.

De mooiste droom van de wereld. Waldheim, mei ’45”.
(De voertaal onder de gevangenen was Frans).

Eronder staat geschreven, in het Nederlands:

De droom van een Rode Kruisbus (die nooit kwam voor de Hollanders, alleen militaire hulp) alle andere nationaliteiten werden wèl opgehaald door hun Rode Kruis!

Bedoelend: voor Nederlanders werd er alleen vervoer geregeld voor militairen. Was dat oud-Hollandse krenterigheid of onvermogen?

Het gevolg in elk geval: een odyssee en een boek. Ook in dat boek komt het belang naar voren van borduren in gevangenschap, zelfs door mannen. Als middel van expressie, om iets moois te maken te midden van alle lelijkheid, maar ook voor gecodeerde boodschappen.

Borduren was dus verboden. Joke laat zien waar ze haar naald verstopte: onder het eelt in haar handpalm. ‘Daar voel je niks van. Als je goed mikt’.

*

En dan, echtgenotes…

Als ze later had geleefd was Joke vast een feministe geworden. Niet militant, maar toch.

Na terugkeer in Nederland trouwt ze, krijgt kinderen en pleegkinderen. Achteraf denkt ze dat ze zich teveel schikte in de vrouwenrol van toen.

Daarin stond ze zeker niet alleen. Tijdens een bijeenkomst voor gedecoreerden fluisterden echtgenotes van de overwegend mannelijke eregasten haar vriendelijk in dat weduwen van gedecoreerden hun medailles aan de andere kant hoorden te dragen dan Joke deed. Het kwam kennelijk niet in ze op dat al die onderscheidingen konden zijn verdiend door de vrouw die ze droeg.

Aan erkenning had Joke trouwens verder geen gebrek. Aan belangstelling van royalty ook niet, van koningin Elizabeth tot en met onze eigen koning van vandaag.

Joke komt met nog een verzets-anekdote:

Op een gegeven moment kwamen de gelden los van ‘De bankiers van het verzet’. Dat knisperend (te) nieuwe bankpapier werd eerst op de grond gestrooid, waarna er met vieze schoenen overheen werd gelopen. Joke vertelt dat een medeverzetsstrijdster een keer met een enorme vracht van dat geld van Amsterdam naar Utrecht ging om ermee de spoorwegstaking te laten betalen. Op de fiets, met houten banden.

Bij aankomst zat een gezelschap mannen klaar, dat de koerierster verweet dat ze laat was. Bijna tachtig jaar later begint de oud-verzetsstrijdster er nog van te stomen.

*

Joke scheidde en werkte daarna nog decennia voor de Kinderbescherming. Eerder op deze site besprak ik de jeugdzorg, waarbij ik een pleegvader confronteerde met de suggestie een ouderschapsexamen in te voeren vóór je kinderen krijgt. Terwijl je voor alles en nog wat een test moet afleggen, is voor het belangrijkste dat je in het leven kan doen, een kind krijgen, de toegang vrij. De (seriële) pleegvader bleek voorstander van zo’n gedroomde ‘ouderschapstest’. Joke, daarentegen, is sceptisch. Ze vreest dat het onderdeel ‘warmte’ bij een examen niet uit de verf zal komen.

Voor haarzelf is het lot van zo oud worden dat (pleeg)kinderen je ontvallen voor jezelf aan de eindstreep bent. En Dries, de enige mannelijke reisgezel van het viertal dat De Tocht ondernam, had zijn intrek zullen nemen op Jokes bovenverdieping toen hij opeens voor eeuwig nog veel hoger voer.

Twee jaar geleden is ze opgehouden met wat ze veel deed: spreken voor schoolklassen, plattelandsvrouwen, de Rotary…

Maar haar leven gaat door. Voor haar staat een foto van een baby, een achterkleinkind.

De verzetsstrijdster straalt en komt gul met een uitnodiging. Voor volgend jaar.

Graag.





Terzijde

Een borduurwerk van Joke Folmer is te zien in het museum van Kamp Vught, één van de plekken waar zij gevangen zat.

Aanvankelijk vertrouwde ze haar latere reisgenotes Yet en Nel voor geen cent. Die kwamen weldoorvoed uit het relatief riante kamp Haaren. En dunne gevangenen kijken met een scheef oog naar ‘dikke’.

Joke heeft de (uitstekende) film ‘Bankiers van het verzet’ niet willen zien. Onder meer omdat daarin de rol van de ‘glamourbroer’ wordt aangedikt, terwijl de stillere van het stel volgens haar veel belangrijker was.

(Analoog aan ‘Soldaat van Oranje’ Hazelhoff Roelfzema en Peter Tazelaar).

De ene en de andere… lezing.

Van het verhaal van de twee piloten kom je op internet fascinerend verschillende versies tegen, zoals die in een Nederlandse krant en op de site van het bewuste Duitse stadje.

Een andere Duitse bron meldt zelfs over de gevangengenomen piloot:

Nach besonders freundlicher Behandlung u.a. durch das katzenelnbogener NSDAP Mitglied Robert Stauch (46) wird er ins Flieger-Gefangenenlager nach Oberursel gebracht.

(Stauch was, vermoed ik, toen al de burgemeester van het dorpje met de onwaarschijnlijke naam Katzenelnbogen).

Joke tekent nog aan dat de Duitse piloot (Rudi Balzer) ontsnapte aan veroordeling door de krijgsraad (voor het vastzetten van zijn landgenoten) door een beroep op de Conventie van Genève.

Een gedetailleerde andere lezing die op diverse punten verschilt biedt het boek ‘Battle of Berlin’, maar komt in essentie overeen met Jokes versie.

Arno Pötzsch stamde af van een pleegkind van Goethe. Hij schreef ook kerkliederen, waaronder het zelfs in het Fries vertaalde

Du kannst nicht tiefer fallen als nur in Gottes Hand”.

Van de Royalty Grapevine:

– Mevrouw Folmer is zeer te spreken over het koppel Willem-Alexander (‘met die rotbaan’) en Máxima.

– Echt warm wordt ze terugdenkend aan Juliana.

– Elizabeth II vertrouwde Joke toe tijdens de oorlog pas in haar element te zijn geweest in een overall met vieze handen, sleutelend aan vliegtuigen. Telkens het moment vrezend dat ze zich weer om moest kleden.

Mrs.Folmer is één van de vermelden in dit boek van Vera Lynn, die ze ook ontmoette:

Joke had een neef die terechtkwam ‘aan de andere kant’. Daarover gaat het boek ‘De verzetsvrouw en de SS’er’.

*

© Joost Overhoff

*

Over YET

*

Bij de Reacties, onderaan, staat een fraaie inzending van een lezeres naar aanleiding van het ‘pilotenverhaal’.

Onder de titel: Twee mannen (Deel 2)