Over YET

Over Yet

Het gebeurde kort geleden. Opeens spookte een boektitel door mijn hoofd:

‘The walls came tumbling down’

Dat ik voor het eerst hoorde van dat boek is heel wat langer geleden. Bijna een halve eeuw.

Ik deed een ‘tussenjaar’, zoals dat nu zou heten. Zo belandde ik aan de voet van de Franse Alpen, inwonend bij een boerin die in de stad als werkster haar geld verdiende. Behalve in schoonmaken blonk zij uit in schoonhouden. Over de blinkende vloer van de salon bewoog ze zich voort op twee stukken vloerbedekking, op weg naar de televisie die elke avond opnieuw ontdaan werd van een gifgroene hoes. Voor het kijken naar het populaire spelprogramma ‘Les chiffres et les lettres‘.

Over die lettres leerde ik overdag, op een taleninstituut. Ik was daar de enige Nederlander (m) tussen een hele batterij al even jeugdige landgenoten (v).

Maar hoe paste Yet daar ook alweer in? Ze was er opeens bij, als een soort zij-instromer avant les chiffres et les lettres. Hoe, weet ik niet meer, maar hoe dan ook was ze een vreemde beet in die Hollandse bijt. Ze was een erfgename. En dat te midden van een groep schoolverlaters die nog te jong waren om iets te erven, zo er al ooit iets te erven zou zijn.

Maar, al is iemand dan misschien te jong om iets te erven, erflaters kunnen ook te jong sterven of ze kunnen van eerdere generaties zijn. Dat overkwam Yet.

Yet was een erfgename van… Yet. Zo kwam ‘jonge Yet’ in bezit van het huis van ‘oude Yet’, al was oude Yet helemaal niet oud geworden. Yets huis stond in Frankrijk, niet ver van onze ‘Hollandse kolonie’. Dus wat deden wij, laaglandse kolonisten? Juist. Erheen.

Het huis van oude Yet bleek wél oud. Er stond nog van alles in dat van de erflaatster was geweest. Daaronder een boek, geschreven door de oude Yet in hoogsteigen persoon. Het ging over haar tocht naar huis, dwars door het chaotische einde van de Tweede Wereldoorlog. Na haar vrijlating uit een verre Duitse gevangenis, nadat ‘The walls came tumbling

down‘.

Maar ja, ging ik dat boek lezen? Welnee. We leefden in het nu. Zo was er in het dorpje nog een ander iemand die aan schrijven deed. Iemand die nog leefde en die wij kenden van de leeslijst voor het eindexamen dat nog zo vers in onze hoofden zat. Het was Gerard Reve. Hij woonde in het dorp met zijn ‘Teigetje’, of was het ‘Matroos Vos’?, en wij waren er meer op gebrand een glimp van dat duo op te vangen dan om een ‘oud’ boek te gaan lezen.

*

Na die Franse tijd gingen we ieder ons weegs en de decennia gleden voorbij. Ook mijn vader overleed. Ook hij had beleefd dat ‘de muren wegvielen’. Bij hem gebeurde dat heel ver weg, in het huidige Oekraïne. Hoe dat precies ging en hoe hij terugkwam, had hij nooit in detail verteld. Wel herinner ik me scherp dat hij er voor altijd beducht was geraakt voor de Russen. Voor zijn bevrijders! Bevreemdend, vond ik dat.

Pas lang na zijn overlijden hoorde ik van een mede-kampgenoot dat er onder de lokale bevolking mensen waren geweest die hun eigen dochters doodden, om ze de Russen te besparen…

Houten ‘oorkonde’, gemaakt door kampgenoten, ter ere van mijn vaders verjaardag.

*

Terug naar kort geleden. Toen de ‘Walls’ na al die tijd eenmaal weer door mijn hoofd flitsten ging het snel. Ik was er nu rijp voor, om meer te lezen over een vergeten deel van de geschiedenis, een voetnoot bij de oorlog zelf. Als een epische epiloog.

Hoe was het geweest, die terugreis, dwars door het land van de verslagen vijand? Terwijl je als gevangene misschien gedroomd had dat er bij het openzwaaien van de knarsende hoofdpoort een limousine klaar zou staan, een riante wagen met chauffeur die je zou rijden tot aan een bordes in het vaderland waaronder een onafzienbare menigte je toe zou juichen…

Dat boek wilde ik hebben, alsnog, en wel meteen. Ik wendde mij tot bol.com.

Direct raak. De omslag verscheen instant op mijn scherm, de omslag van een paperback. Compleet met een ronkende ‘boventitel’.

Maar was deze versie wel de originele? Beter: had de Hollandse ‘oude Yet’ het wel oorspronkelijk in het Engels geschreven?

Wie kon dat beter weten dan de jonge Yet? Maar hoe vond ik die? Via Google.

In de kortste keren had ik haar mailadres te pakken. Haar geërfde huis bleek inmiddels een Bed & Breakfast en daarbij stond haar mailadres uitnodigend te wenken.

Zo gezegd, zo gedaan, contact hersteld. Zo leerde ik dat de Engelse versie inderdaad de eerste was. Daarna was het door een derde in het Nederlands vertaald, een vertaling die sinds kort was bijgepunt ter ere van een hagelnieuwe heruitgave.

Heel mooi, maar die wilde ik niet hebben. Ik begaf me opnieuw naar de site van bol.com. Daar stond de Engelse paperback nog steeds te koop, voor een prijs die ik best wilde betalen en dat ook bijna deed, toen mijn oog viel op kleine lettertjes rechtsonder. Daar werd vermeld dat er van hetzelfde boek nog twee andere aanbiedingen waren, waarvoor je door moest klikken. Ik deed het en vond hetzelfde boek voor een tientje minder. Tja, dacht ik, als het dan toch een paperback moet zijn, waarom niet?

Verbluffend snel lag er een witte envelop in de bus. Vol verwachting maakte ik hem open, terwijl ik al wist wat het was. Dacht ik. Maar nee.

Ik kon een kreet van verrassing niet onderdrukken. In de envelop zat iets heel anders dan wat ik dacht te hebben besteld. Op de voorkant stond niets. Alleen hemelsblauw staarde me aan, datgene waar je in een donkere cel van droomt.

Het was een hardback. En niet alleen dat: het was de eerste Engelse druk van Secker & Warburg, uit 1957.

Maar daarmee waren de verrassingen nog niet op. Bij het openen bleek de binnenkant zowel verarmd als verrijkt. Er lagen twee dingen in die waren bijgevoegd, terwijl er iets anders juist weg was.

Voorin het boek lag een knipsel, met eronder een losse foto.

Het knipsel liet een foto zien van de oude Yet uit, ja, van wanneer was dat? Rond ’57?

Er stond een tekst in het Engels bij, die onthulde dat ze in het verzet was begonnen bij Het Parool. Dezelfde krant waarbij ook ik mijn schrijverstijd begon.

Later in de oorlog had Yet koeriersdiensten voor het verzet onderhouden naar meerdere landen, zo stond er. Met de hand was er in het Nederlands bijgeschreven dat ze dat met een drietal anderen deed, die met naam en toenaam werden opgesomd. Bovendien werd vermeld dat ze was geëerd met een Bronzen Leeuw en een ‘speciale vermelding’ door Generaal Montgomery. Vanaf 1950 werkte ze in Amerika, onder meer voor Life, het tijdschrift dat ik me herinnerde uit mijn kindertijd vanwege de geweldige foto’s.

De losse foto in het boek, daarentegen, was die van een amateur. Het leek een opname van het graf van de oude Yet. In Frankrijk?

Alles leek erop te wijzen dat de bezitter van het boek de oude Yet persoonlijk had gekend. En anders dat hij op zijn minst van haar had gehoord en haar bewonderde, zozeer dat hij de tocht naar haar graf had ondernomen.

Hoe dan ook was het verbluffend dat ik juist door de goedkoopste optie te kiezen de hoofdprijs in handen had. Maar er miste ook iets aan: het schutblad was eruit gesneden. Wie weet had daar wel een opdracht op gestaan. Van de schrijfster aan de bezitter van haar boek?

Mijn aandacht richtte zich op degene die het boek had verkocht. Was dat een privépersoon of een handelaar? Had diegene wel gezien dat er iets in het boek verborgen zat?

Ik ging weer terug naar de site van bol.com en speurde naar een mogelijkheid de verkoper te bereiken. Maar die mogelijkheid was er niet. Wel was te zien dat de aanbieder van het boek een vrouw leek te zijn. Het was althans iemand die zich bediende van een vrouwelijke voornaam, gecombineerd met een getal.

Al chattend met bol.com werd ik erop gewezen dat er bij het aanbod wel een contactmogelijkheid zou moeten staan. Dat die mogelijkheid toch ontbrak leek erop te wijzen dat de verkoper daar geen prijs op stelde. Daarop vroeg ik mijn chatcontact of ze niet iets aan de verkoper door kon sturen. En, zowaar, niet veel later ontving ik via bol bericht van de aanbieder. Het boek was van een zekere Pierre D’Aulnis geweest en via een aangetrouwde familieband in een boedel beland. “Ik zag de foto en het blaadje idd ook in het boek en heb ze laten zitten. Zelf weet ik helaas niet meer”.

Ik weer aan de Google. Wie was die Pierre geweest? Ook een verzetsstrijder, zo bleek. Een ‘doorzetterstrijder’ zelfs, iemand die de Militaire Willems-Orde niet kreeg en die onderscheiding daarom maar zelf aanvroeg. En hem zo alsnog ontving.

Ja, onderscheidingen… Het is goed dat ze er zijn, maar ze zijn als het leven zelf: ze zijn geen tekenen van automatische gerechtigheid. Te velen krijgen er geen, anderen krijgen er teveel, en een enkeling moet een verdiende medaille weer inleveren.

Ondertussen bleef één van de, vermoedelijk door Pierre, bijgeschreven namen mij bezighouden. Daarvan kwam de achternaam mij bekend voor.

De middelste

Zo heette ook een meisje van mijn leeftijd uit het dorp waar ik opgroeide. Toevallig had ik niet zo lang geleden weer contact met haar gekregen, naar aanleiding van een artikel over haar in… Het Parool. Ze bleek al jaren kantoor te houden in het gebouw naast dat waarin ik woon.

Ik mailde haar nu met de vraag of de naam op het knipsel haar iets zei. En kreeg per kerende mail terug: ‘Dat was mijn vader!’

Er volgde een ware heen-en-weer-mailtornado, waaruit onder meer naar voren kwam dat Pierre d’Aulnis door haar Oom Louis werd genoemd en vaak bij hen thuis kwam. En bovendien:

‘Ik ben even in het biografietje gedoken dat mijn vader me heeft nagelaten over zijn oorlogsjaren. En ja, wat ik al dacht nadat ik de naam even had laten bezinken, hij heeft Jet Roosenburg gekend’.

De Y van Yet kwam er waarschijnlijk later pas, om Engels- en Franstaligen van dienst te zijn. Op haar boek stond haar naam voluit: Henriette Roosenburg.

Intussen had ik mijn boek-voor-in-bed vervangen door ‘The Walls’. Ik kon niet wachten, hoewel ik er met gekromde tenen aan begon, bang een bladzijde om te slaan waar op de achterkant ervan de vertelster iets ergs zou kunnen overkomen. Zelfs al was dat erge dan allang voorbij.

Zoals te verwachten viel begint het verhaal daar waar andere oorlogsboeken eindigen, maar verrassend is het toch. In dit boek is de gevangenschap tot aan de bevrijding slechts het begin. De gruwelen achter de tralies zijn alleen onderwerp van het voorwoord.

Tussendoor bezocht ik opnieuw mijn bol-account en speurde nog eens naar iets meer over de verkoopster. Vergeefs. Tot opeens, boven het reguliere deel van de pagina, mijn oog viel op de adresregel. Daar leek, tussen allerlei andere tekens, ook de achternaam van de verkoopster te staan.

Aan het googlen maar weer. Opnieuw meteen prijs. Het bleek een vrouw te zijn boven in de boom van een groot bedrijf. Althans, als er niemand anders met haar naam bestond, iemand waar de zoekmachine geen weet van had. Wel wist de helse/goddelijke machine dat in haar bedrijf een andere onderneming was opgegaan waarbij ook mijn vader in dienst is geweest.

Ach, waarom niet? Dat kon er nog wel bij. Langzamerhand zou het pas verrassend zijn als er iets boven zou komen waarover je je niet kon verbazen.

Ik vroeg een nieuw chatcontact bij bol.com of ze mijn mailadres aan de verkoper zou willen sturen. En zowaar, enige tijd later kreeg ik een directe mail van de vrouw waarvan de naam gelijk was aan die in de adresregel van bol.

Ik dankte haar als antwoord nog eens voor het meesturen van de ‘bijlagen’ en vroeg of ze iets afwist van het uitgesneden schutblad. Niet dat ik daar veel van verwachtte. Wellicht was het al verwijderd voordat zij het boek kreeg. En ging het mij trouwens iets aan wat daar op had gestaan? Nee, maar toch, nieuwsgierig was ik er wel naar.

Elke avond las ik verder. Na de adembenemende nacht van de bevrijding, ging de tocht naar huis beginnen. Een tocht waarbij het in het hersenpannetje van een postduif zou gaan vonken. Linea recta? Integendeel. En dat in hun toestand. Tijdens een strooptocht door hun ex-gevangenis waren ze op een weegschaal gestuit waarvan de naald tot een eensluidende conclusie kwam: een derde van hun gewicht was in honger opgegaan. Bovendien had de gevangenschap misschien wel eelt op de ziel gekweekt, maar niet onder hun voeten.

‘Ze’ waren een drietal vrouwen, een trio dat bij hun reis een kwartet werd door een zeeman. Een zekere geruststelling, ben je geneigd te denken, maar dat was maar betrekkelijk. Met een verrassende openheid voor die tijd onthult de schrijfster dat ze zo zijn verzwakt dat het lichaam al het secundaire heeft uitgeschakeld: de vrouwen hebben geen cycli meer en de zeeman moet het doen met een mannelijk lid dat geen partij is voor de zwaartekracht. Geen indicatie van de zeebonk waar je als bodyguard iets aan hebt.

De grootste dreiging gaat uit van de Russen, helemaal in lijn van wat ik eerder hoorde van mijn vaders kampgenoot. Hun verkrachtingsdrang, zo leerde Yet, werd alleen gestuit als het slachtoffer, door het aantal en de ruwheid van de soldaten die hen waren voorgegaan, ‘onbegaanbaar’ bleek.

Je zou kunnen denken dat de verkrachters een voorkeur zouden hebben voor de relatief goed gevoede lokale bevolking, de vijand bovendien, in plaats van zich te storten op uitgemergelde bondgenotes. Maar die huiskamerlogica bood geen enkele garantie.

Voor de goede orde: Yet laat niet na te vermelden te vermoeden dat bezettingslegers zich ruwweg hetzelfde gedragen. Bovendien rept ze over een Russische officier die twee van zijn ondergeschikten na een verkrachtingsorgie daarvoor standrechtelijk executeert.

Dat neemt de onrust tijdens het lezen echter niet weg, terwijl het viertal voortgaat in een chaotisch decor vol soldaten, ex-krijgsgevangenen, ex-dwangarbeiders, bij-toverslag-opeens-ex-nazi’s en wat al niet.

Wat is er nodig om zo’n tocht tot een goed einde te brengen? Doorzettingsvermogen, geluk, inventiviteit. En lef. Terwijl de reis talloze letterlijke en figuurlijke afslagen biedt waarbij je de verkeerde kan nemen.

En ik zal het bekennen: bij het lezen over hun terugkeer rolde er een traan. Het was op pagina 221, rechts onderaan.

*

Varia

– Joke Folmer, een van de drie vrouwen van de tocht, is gaan samenwonen met Dries, de enige man. Ze leeft nog.

Ik heb haar gebeld en ‘corona volente’ ga ik haar ontmoeten.

– Ook het inmiddels gepensioneerde ‘meisje uit mijn dorp’ ga ik weer zien.

– Ze is een achterkleinkind van Maria Montessori. Over haar in Het Parool.

– Haar vader, Jan Henny, werd net als Yet voor zijn verzetswerk onderscheiden met een Bronzen Leeuw.

– Van de verkoopster van het boek vernam ik niets meer.

Totdat ze dit stuk onder ogen kreeg:

Wat een mooi verhaal en wat een kleine wereld!’

– ‘Oude Yet’ overleed in stijl: achter haar schrijfmachine.

– Jonge Yet, Yet de Villeneuve, woont in haar geërfde huis langs de route van onze eerstvolgende fietstocht.

*

DE MUREN VIELEN OM

door

Henriette Roosenburg

recent heruitgegeven en van een nawoord voorzien door

Uitgeverij Cossee

*

Zoals alle boeken te bestellen bij

Literaire Reisboekhandel Evenaar

(Steun de échte boekhandels!)

*

© Joost Overhoff