Big-top verkeerd

BIG-TOP VERKEERD

‘Schiphol, drizzle‘.
We waren al aan het dalen, het kon niet ver meer zijn. Dat zag je aan de wolken.
De gezagvoerder was nog maar nauwelijks uitgesproken op het moment dat we iets heel anders hoorden. Een gil. Nou ja, gilletje.
Iedereen draaide zich om, behalve de koptelefoons. En de mensen achter het gilletje. Daar zag je het strekken van de nekken.
Alle aandacht richtte zich op de vrouw in de middenrij die het gilletje had geslaakt. Het was een uitroep geweest van iemand die het liefst nooit van haar leven opgevallen was, maar toch werd tot middelpunt. Getroffen door het lot.
Op slag waren wij, medepassagiers, getransformeerd van een losse verzameling individuen tot ‘die mevrouw en wij’. Ineens waren ‘wij’ verbonden door een gemeenschappelijke eigenschap die ons eerder was ontgaan: wij waren haar niet. Het gaf ons iets geborgens, en haar iets alleens. Net als wanneer één van de kinderen in de klas een spreekbeurt had.
De vrouw keek naar haar mouw. En toen omhoog. In haar blikken collectief gevolgd door ons.
Daar, aan het plafond, hing een druppel. Een donkere, dikke druppel. En die druppel, die viel. Op de mevrouw. Haar aanvankelijk ongeloof sloeg nu om in de aanvaarding ‘dat het echt waar was’ en het besef, bovendien, dat een begin nog niet het einde hoeft te zijn.
De vrouw stond op en ging in het gangpad staan. Alle ogen gingen weer naar het plafond. Er kwam een nieuwe. En daarnaast nog een derde.
Nu zegt men, dat op je laatste moment het leven in een flits aan je voorbijtrekt. Zo ver was het blijkbaar nog niet, maar wel suisden in razend tempo een aantal overwegingen voorbij: Vervelend voor die mevrouw / Maar, wat is dat voor een druppel? / Kan ‘een druppel van boven’ in verband staan met het functioneren van het vliegtuig? / En, zoja, kan dat aanleiding zijn tot… / Stel je voor… / Maar dat kan toch niet? / Want ze wacht op me / Wie had ik wat nog willen zeggen? / Eindelijk, nooit meer afwassen! / Hoe zit dat ook weer met die zuurstofmaskers, de zwemvesten? / Hoewel, in de polder… / Blijft die druppel dáár, of kan die ook hier komen? / Zijn nakomelingen dan.
Een nieuwe gil werpt licht op die laatste vraag. Een vrouw twee stoelen verderop wordt getroffen door een heel stel snelle druppels achter elkaar. Nog steeds in de middenrij.
De eenzame mevrouw is niet meer alleen.
Een steward wijst de slachtoffers verse zetels aan en klimt zelf met een handdoek op de bevlekte stoelen. De druppels hangen nu over een lengte van een meter in een richel van het plafond. Hij veegt ze weg, maar ze groeien sneller aan dan hij vegen kan.
Een kreet, twee stoelen achter ons. Bij het raam. Daar wordt iemand in de kraag getroffen door een hele straal. Heel naar, maar eindelijk een voldoende representatief monster voor analyse.
‘Het lijkt wel koffie!’, roept de besmeurde dame.
Inderdaad. Er komt nieuws. Op de verdieping boven ons is een hele container met koffie omgevallen.
Verdorie, is die 747 Big-Top zó Big dat-ie helemaal tot hier komt? Ja, zo Big is-ie, en nu dalen de overschotten van de business class neer op de armen. Een soort koffie verkeerd.

Liever zo.M
Liever zo


Het front van ‘ons’ is weer gebroken, en nu gefragmenteerd in een reeks overwegingen van ieder voor zich ‘dat ik de volgende kan zijn’.
Er is geen uitweg meer, alle stoelen zijn bezet. De laatste gaat naar de vrouw van de straal. Ze neemt afscheid van haar man, die met de blik van een aangewezen held achterblijft.
En we dalen steeds sterker. Dat is helemaal niet goed. Dan komt die koffie steeds verder hierheen. En zometeen nog remmen ook. Kunnen we niet een looping maken?
Cabin crew, landing stations‘.
Ik kijk naar de man naast me. Hij maakt een wat benauwde indruk. Misschien moet ik hem wat opbeuren.
‘Wilt u suiker en melk?’
Hij lacht, maar zuinig.
De wielen raakten de grond. Het vliegtuig kwam tot stilstand. Schiphol, we waren er. We hadden het gered.
Big-Top, drizzle.

*

© Joost Overhoff