619. Milaan

Bijna deins ik terug. Ik geloof mijn ogen niet.

We staan op het punt in te stappen voor onze vlucht naar Milaan. Het toestel is er een van ITA, Italia Trasporto Aereo. Opgeverfd in een fraaie, om niet te zeggen ‘hoopvolle’ tint blauw.

In feite is ITA de opvolger van Alitalia, een ‘vliegend lijk’ dat alleen in de lucht werd gehouden door chronische steun van de Italiaanse staat. Vele, vele miljarden werden er gestort in die bodemloze put. Een nachtmerrie, gestoffeerd met even nuffige stewardessen als vorstelijk betaalde vliegers.

Dat het allemaal zo lang door kon gaan was ook te wijten aan een gevoel van nationale trots. Alitalia was per slot Italiës ‘compagnia di bandiera‘, de ‘vlaggenmaatschappij’, de nationale vliegmaatschappij.

Intussen is het onhoudbare dan toch ter aarde besteld, maar weer uit de as herrezen met een nieuwe naam. ITA dus. En niet alleen dat. ITA is inmiddels in buitenlandse handen. Duitsers zijn er nu de baas, in de vorm van Lufthansa.

Wat vinden de Italianen daarvan? Met die vraag voorop mijn tong nader ik de vliegtuigdeur. Tot aan dat terugdeinsmoment. Want wat staat daar, daar rechts op de romp? Kan het waar zijn? Wel degelijk.

Er staat:

Mijn oerhollandse klomp breekt in duizend stukken. Inspired by…?! Zijn die nieuwe naam en dat opwekkende blauw dan niet juist bedoeld om de hopeloosheid van Alitalia for ever te vergeten?

En wil ik dan nog wel mee? Nou ja, niet dat we door die verbluffende onthulling nu dan ook perse neer zullen storten. En niet te vergeten, voor ons, Inspired by Holland: we hebben al betaald.

Schoorvoetend stap ik dan toch naar binnen en stuit daar al direct op een wellicht ex-Alitaliaverschijning, gehuld in een vers ITA-pakje. Mijn Prooi Nr.1.

‘Dat ITA nu echt in handen van Lufthansa is, wat vindt u daarvan?, wil ik weten.

‘Daar ben ik heel blij mee!’, beweert ze, even wijselijk als enthousiast, en doet er meteen haar beste glimlach bij.

Naast haar verschijnt zowaar ook de baas van het toestel. In zijn Alitaliatijd was de comandante waarschijnlijk als een koning in zijn cockpitpaleis gebleven, om hem het contact met de te vervoeren handelswaar te besparen.

Nu, in de nieuwe tijd, staat ook hij bloot aan mijn enquêtevraag. Op zijn beurt heeft hij er een diplomatiek antwoord op, gecompleteerd door iets dat eerder een grijns mag heten dan een glimlach: ‘Ik ben bijna met pensioen’.

Nadat generaties Alitalia-vliegers zich altijd met hand en tand verzetten tegen ook maar een iets minder riant salaris, is hij er nu zelfs mee akkoord gegaan de baas te zijn van een veel kleiner toestel dan voorheen.

Hij zet het Airbusje met ons erin aan de grond op Linate, het ‘stadsvliegveld’ van Milaan. Gelukkig niet op Malpensa, de luchthaven tientallen kilometers verderop. Malpensa is maar één lettergreep minder dan malpensato, Italiaans voor het toepasselijke ‘slecht bedacht/gepland’.

Als om de aandacht daarvan af te leiden heeft men aan die naam intussen iets toegevoegd. Inmiddels heet het officieel:

Aeroporto internazionale Milano Malpensa “Silvio Berlusconi”

Pardon? Berlusconi?! Was dat niet ook zoiets dat je graag zou zien verdwijnen in de muil van de vergetelheid? Je zou denken van wel, maar ziet…

In elk geval, bij malpensato past die toevoeging prima en bovendien was Silvio natuurlijk wel een echte Milanees, van de wieg tot het graf.

Eén van zijn ondernemingen was het financiële conglomeraat Banca Mediolanum, genoemd naar de eerdere, Romeinse naam waarvan ‘Milaan’ is afgeleid. Betekenis: ‘plaats in het midden’. Van de vlakte.

Anno Nu nemen we er de tiptopmetro en een tram tot aan ons onderkomen, net buiten de ringweg.

Een prima idee, zo blijkt. De prijzen zijn er niet zo torenhoog als in het centrum en het is er echter. ‘Echter’ in de zin van ‘met gewonere mensen’.

Het werd trouwens weleens tijd dat ik er kwam, in Milaan. Ik beweer altijd héél Italië te ‘kennen’, van Pantelleria, richting Tunesië, tot aan Triëst, op de stoep van Slovenië. Maar in die overdreven claim ontbrak nog de hoofdstad van Lombardije. Nooit had die plaats me aangetrokken. Ik dacht erbij altijd aan iets kouds, hoe warm het in die zinderende vlakte ook mag worden.

En, hoe beviel deze verlate kennismaking? Prima. Sterker, ik kijk al uit naar Deel 2. Want ‘kennen’, dat doe ik Milaan natuurlijk na die ene keer nog niet. En hoeveel échte Milanezen zal ik hebben gesproken? Weinig. Alleen al omdat er daar niet zoveel van zijn. Milaan is een vaste plek van bestemming voor migratie binnen Italië zelf, van zuid naar noord. Al heel lang en dat merk je.

Veel van die niet-echte Milanezen kunnen zich niet permitteren om in het centrum te wonen. Ook mensen van kleur zie je in de stadskern opvallend weinig. Het is daar waar je fantaseert:

‘Als je nu eens honderd vierkante meter neemt en je zou de prijskaartjes bij elkaar optellen van wat de mensen aanhebben die in dat ‘hokje’ lopen, pronken…’

Het mannelijk ‘uniform’ lijkt er te bestaan uit een peperduur, donkerblauw maatkostuum, een smetteloos wit overhemd uit de Serie A en dito schoenen.

Uitzonderingen daargelaten.

Voor vrouwen is er, zoals zo vaak, meer vrijheid, zolang je er maar aan af kan zien dat C&A er niets mee te maken heeft en ze daar ook nooit, ooit zullen komen. Veel buitenlandse vrouwen in de mensenstroom proberen daarbij met de zo modieuze Milanezen mee te doen.

Trouwens, buitenlanders versus Milanezen? Wat vindt het lokale mobiele infopunt, geheten ’taxichauffeur’?

Zijn meest gehate klanten? Echte Milanezen, en dan in het bijzonder nog die van de vrouwelijke soort: neerbuigend en altijd ontevreden.

Zijn meest gevreesde klanten? Engelsen: vanwege de kans dat ze hun pizza van eerder die dag in minder krokante vorm prijsgeven aan zijn interieur. Vrijwel zeker inclusief mozzarella en…

In elk geval zijn de Sardijnse Milanezen die we treffen, net als de Calabrische, de Campaanse enz. allemaal even vriendelijk. Een even onvermoede als prettige verrassing.

Andrea uit Salerno, bij Napels, past daarbij in een trend: steeds meer tattoos. Vele ervan zijn steeds grover, lijkt het wel. De zijne niet. Zijn complete rechterarm toont Santa Rita, een heilige die hij meerdere malen in zijn leven heeft aangeroepen. Met succes. En dat schept verplichtingen, zoals haar zichtbaar maken voor iedereen.

Hij heeft vele landen bezocht, Andrea, en ook in het buitenland gewoond. ‘Maar Italië is Italië’, zegt hij. Lees: daar gaat niets boven. Niets aan te doen.

Proberen Milaan in een paar dagen ‘af’ te krijgen gaan we niet doen. We flaneren langs de Dom, dat natuurlijk wel. Er vlak voor doet een ragdunne vamp met knalrode lippen in een knalrode jurk aan een selfie-fotoshoot.

Ruim zestien jaar geleden was het hier dat Silvio Berlusconi vol in zijn gezicht werd getroffen door… de Dom. Althans, door een zware replica ervan, naar hem toe gegooid met grote precisie.

Het was een prestatie van dezelfde moeilijksgraad als iets verderop valt te zien, in de beroemde Pinacoteca di Brera.

De pinacoteca is een schilderijenmuseum waar het je al spoedig gaat duizelen van alle Madonna’s en Jezussen. Maar verrast worden, door iets ‘nieuws’, kan je er wel degelijk.

Hoe zullen we het noemen? ‘Multitasking‘ of ‘Van twee walletjes’?

Het hoogtepunt van de tentoonstelling ligt. Het is Cristo morto, de dode Christus van Andrea Mantegna. Een omweg waard.

Het museum is ook een goede plek voor mijn ITA-enquête, eens iemand bevragen van buiten de luchtvaart, iemand van cultuur. Wat vindt hij van het Italiaanse symbool in vreemde handen? Hij vindt het ‘heel erg’. Maar niet zozeer vanwege die vreemde handen, nee, vanwege de stelselmatige verspilling all’italiana waardoor het zover heeft kunnen komen.

Op zijn beurt bespaart hij ons wel iets: tijd. Want dat verplichte nummer van elk Milaan-bezoek, het bewonderen van ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci, moeten we dat ook doen?

De museumman leert ons dat je er niet alleen een ‘slottijd’ voor nodig hebt, maar dat die bovendien gekoppeld is aan een beperkt aantal minuten dat je Jezus, Judas & Co. mag bekijken.

We laten het dan maar aan ons voorbijgaan, maar het brengt je wel op een idee, voor ongewenst bezoek bij jezelf thuis: een slottijd, met een maximale verblijfsduur…

Onze eigen verblijfsduur in Milaan zit erop.

‘Alles onder controle?’, vraag ik aan de chauffeur van de bus die ons naar het vliegtuig zal rijden.

‘In Italië is nooit iets onder controle’, zucht hij.

‘Behalve de pasta’, werp ik tegen.

De chauffeur wrijft tevreden over zijn welgevormde buik. ‘Dat wel’.

‘Toch heel belangrijk’, zeg ik.

Hij beaamt het, van harte

TERZIJDE

– Bis

Nog tijdens ons bezoek werd Pier Silvio Berlusconi, de zoon van, frontaal geraakt door een tegenligger.

– Byzantium te Milaan

Milaan is vanouds het toneel van financiële machtsstrijd. In die van nu is daarbij een belangrijke rol weggelegd voor de oudste bank ter wereld, de Monte dei Paschi di Siena.

Zie ook eerder op deze site: Echo’s uit Siena. Met update.