608. Kuba

Een vrouw in Freiburg had het ons al gezegd: ‘Mensen uit Freiburg zijn een beetje apart’.

Dat leek ons redelijk voor mensen uit een plaats met zo’n naam.

En ook hij was apart, al was niet duidelijk voor hoeveel procent hij zich wel een Freiburger mocht noemen.

Beetje apart.
Freiburg, detail.

We waren pas net vertrokken vanaf het Freiburger station en hij draaide zich al naar ons om. Niet gewoon, zoals volwassenen dat doen, maar met zijn knieën op de bank en zijn armen op de hoofdsteun. Zoals een kind het zou doen. Maar kinderlijk was hij niet. Vroeg in de zestig, schatte ik. Een beetje grijzig aan alle kanten, met een stevige bril. Ook hijzelf was stevig. Niet stevig in de zin van dik, maar sterk. En groot.

Hij had ook een reden om met ons te spreken, iets dat een soort cadeau is bij gemeenschappelijk ongemak, zoals een trein met vertraging. Dat soort cadeaus deelt de DB, de Deutsche Bahn, al geruime tijd uit met (on)regelmaat. De eerlijkheid gebiedt echter te zeggen dat we tijdens onze reis tot dan toe daar weinig, tot niets, over te klagen hadden.

Diezelfde eerlijkheid vraagt ons ook te vermelden dat de vertraging waar het nu om ging was toe te schrijven aan iemand die zich terminaal op het spoor had begeven, zodat de schuld van het ongemak niet op het conto van de DB te schrijven viel.

“Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil”.

In ons eigen land kennen we die spoorspreuk in een andere context, maar hij is universeel geldig. Ook als het maar gaat om één arm. Zo was nu het gansche DB-raderwerk tot stilstand gekomen. Een domino-effect dat zich deed voelen van bij Basel tot aan Hamburg.

Maar… we reden weer. Tot tevredenheid van de stevige man tegenover ons. Hij was op weg naar de luchthaven van Frankfurt. En dat niet alleen.

Eén vlucht naar Madrid kon hij nog wel missen, maar meer niet. Zijn bestemming lag namelijk nog veel verderop. O ja? En waar dan wel? ‘In Kuba’, Cuba.

Op zich ook niet zo’n groot probleem, normaal gezien, maar nu wel. Dankzij een zekere Donald.

Het land waar die Donald door de immigratie van zijn (voor)ouders was komen te wonen, doet onder hem als president aan wat in de judosport wel ‘verwurging’ heet. Van Cuba. Vooral door een embargo op brandstof. Dat bracht het langgerekte eiland vrijwel tot stilstand.

‘Onze’ man, achterstevoren in zijn stoel, wist er alles van. Hij wist ook dat de KLM niet meer op Cuba vloog, uit angst daarna niet meer terug te kunnen. Voor hem was dat zo erg nog niet, want de KLM vloog op Havana, de hoofdstad, terwijl hij zelf bij Santiago moest zijn. Zoiets als belanden in Groningen terwijl je naar Maastricht moet. Maal drie. Dat had hij al te vaak gedaan.

Nu vloog hij naar Santiago, ‘direct’. Met ‘Plus Ultra’. Wel een angstaanjagend opgepompte naam voor een luchtvaartmaatschappij. Maar goed, die vloog nog wél naar Kuba, met niet ver voor de bestemming een tussenstop in de Dominicaanse Republiek. Om nog even bij te tanken voordat ze op de eindhalte droog zouden vallen. Addertje in dat gras: Plus Ultra vertoont die truc niet vaak. Welgeteld één keer per week. Vandaar dat hij die vlucht niet kon missen.

Ging hij trouwens wel vaker die kant op? Zeker. Om de paar maanden zelfs. De reden: hij had er een huis. En een vrouw. Misschien niet in die volgorde, maar toch. Los daarvan had hij er nog meer: kippen, varkens en een zestal honden. Hij somde die laatste op, twee aan twee aan twee. Twee dobermanns, twee rottweilers en nog twee andere die het als schoothondjes niet goed zouden doen.

De vrouw die hij daar had was zijn echtgenote. Althans, in Cuba. In Duitsland accepteerden ze dat huwelijk niet. Daarvoor moest ze eerst in de verte een soort inburgeringsexamen doen, daar waar zoiets niet bestond. Kortom, bureaucratische hoofdpijn.

Waarom hij zijn aanstaande niet eerst naar Freiburg liet komen, bleef wat vaag. Hij leek dat te wijten aan de band tussen zijn vrouw en haar moeder, Niet van elkaar lós te weken… Het was trouwens door de moeder dat hij doorkreeg wat ongeveer de leeftijd moest zijn van degene aan wie zijn hart verloren had. Toen hij eerst hoorde hoe oud haar mamá was, sloeg zijn hart nóg een paar slagen over. Terwijl zijn vlam er zoveel ‘rijper’ uitzag, bleek ze nog pas negentien…

Hoe is het trouwens in Cuba? Moeilijk. De mensen hebben tekort aan zo’n beetje alles, behalve aan repressie. Vandaar dat hij zoveel bagage bij zich heeft. Spullen om uit te delen.

Maar niets gaat er vanzelf, zelfs uitdelen niet. Daarvoor moet hij eerst langs de douane, wat geld gaat kosten. Compleet met ‘invoeronrechten’, belasting geheven door de douaniers privé. Op zich is hij daar wel toe bereid – ‘Die moeten ook leven’ – maar alleen tot op zekere hoogte. Hij vertelt dat hem eens iets was gevraagd ter waarde van veertig euro, een bedrag dat hij nog wel wilde geven, maar opeens vertienvoudigde dat bedrag. Hij weigerde en werd daarop ’ter rijping’ opgesloten in een extreem krappe ruimte zonder licht en lucht. Zo, dat hij direct zijn T-shirt uittrok. Na een tijdje kwamen ze terug om te zien of hij, zwaar zwetend, al te plukken viel. Nee? Dan nog langer in het hok. Ook zijn broek trok hij daarbij uit. Toen ze voor de tweede keer terugkwamen eiste hij het Duitse consulaat te bellen. Dat werkte. Uiteindelijk lieten ze hem vrij.

Bij dat consulaat moeten ze hem inmiddels heel goed kennen, want gearresteerd werd hij intussen meerdere keren. Zoals toen zijn honden zich vergrepen aan een agent in burger die zich op zijn terrein begeven had, een voor de betrokkene onvergetelijke ervaring. Maar kennelijk is een Duitse connectie in Cuba nog heel wat waard.

Niet lang geleden had hij een vijftal varkens geslacht om ook dat vlees onder de bevolking te verdelen. Mocht niet. Waarom? Omdat de gezegende burgers van de communistische heilstaat geen hulp nodig hebben?

Hoe ziet hij het in? Gaat het geronto-regime bezwijken? Hij denkt van niet. Het gaat daar steeds meer lijken op Venezuela en Iran: in de klem tussen het regime en Amerika. Dat was al zo, maar erger nog.

Ook in Duitsland wordt er op je gelet.

Wat is eigenlijk in Duitsland zijn beroep? Vrachtwagenchauffeur, zo menen wij te begrijpen. Hij ‘werkt bij een expeditiebedrijf’, maar ‘hopelijk niet lang meer, gezien de toestanden op de weg’.

Ondertussen gedraagt hij zich als een ware gentleman. In de volle trein geeft hij tot twee keer toe zijn zitplaats op, ten bate van iemand die het naar zijn idee meer nodig heeft dan hij.

Op mijn beurt help ik hem op Frankfurt Flughafen met het uitladen van zijn indrukwekkende uitdeel(?)bagage.

Terwijl de trein zich weer in beweging zet, bonkt er van buitenaf iemand op het raam. Hij.

Hij zwaait, weer als een kind. Maar kinderlijk was hij niet.

TERZIJDE

Gansch het raderwerk…destijds te NL.