384. Meneer A

Zo heet hij niet echt. Ik noem ‘m maar even zo, voor de gelegenheid. Het komt me ook wel goed uit. Ik weet namelijk wel hoe hij echt heet, maar niet hoe je dat moet schrijven.

De A staat voor Afghanistan. Ik ontmoette Meneer A omdat hij een winkel heeft. Had. Een winkel in elektronica. Audio en video, vooral. Tweedehands.

De winkel van Meneer A was een graduele chaos. Aan de voorkant ging het nog. Daar waren de torenhoge stapels apparatuur nog enigszins overzichtelijk, maar naar achteren toe gingen de stapels meer op heuvels en bergen te lijken. Met als culminatie de plek waar hij dingen repareerde. Want Meneer A is technisch. Altijd al geweest, denk ik. In Afghanistan werkte hij op de luchthaven van Kaboel. Wat hij daar precies deed weet ik niet, maar wel had ik het idee dat hij daar een veel voornamer positie bekleedde dan bij ons. Bij ons moest hij maar zien het hoofd boven water te houden tussen zijn klanten die ik wel eens bezig hoorde, wachtend op mijn beurt. Mensen die een hoge prijs wilden voor hun oude spullen ‘omdat-ie het nog heel goed deed‘ en hem maar weinig wilden geven voor de oude spullen van anderen ‘omdat het tweedehands was‘. Misschien wel derde-.

Zo roeide Meneer A met de riemen die hij had, dag in dag uit, door een soort zwarte soep. De dominante kleur van zijn apparatuur. Het zou overdreven zijn te zeggen dat het bijna moeilijk was om hem te midden van al die soep nog terug te vinden. Maar dan vooral omdat hij groot was. Is, hoop ik. Groot en stevig. Met een bijpassend stevige bril en een grijzende baard. Geen Talibanbaard, een korte. Sterker, ik vermoed dat hij juist toen de Taliban voor het eerst opkwam daarom naar Nederland kwam. Ontkwam. Ruim twintig jaar geleden.

Wellicht was ik een wat vreemde eend in zijn bijt. Ik gaf hem eerder meer dan hij vroeg. Als steun en uit compensatiedrang voor het onderste-uit-de-kan-gedrag van anderen die zich in zijn zwarte wereld waagden. En we bespraken de toestand in zijn land. Een land met als constante dat veel buitenlandse mogendheden er iets probeerden, met een al even frequent desastreus resultaat. Meest recentelijk waren het de Amerikanen, die als olifanten door de Afghaanse porseleinkast denderden, in hun poging wat muizen te vertrappen. En de Pakistanen, als heimelijke ondersteuners van de Taliban op de achtergrond.

Soms, zelden, ging Meneer A er weer naartoe, naar zijn stad. Naar Kaboel. Zoals laatst.

Zelf hadden wij het een groot deel van ons leven gedaan met onze ‘studenten-audio’ van ooit. Vandaar dat ik klant was van Meneer A. Af en toe gaf een van onze ‘oudio’-componenten de geest en die vulde ik dan weer aan met iets ouds dat nog werkte.

Maar dit jaar gebeurde het dan toch: ons idee dat ‘als we groot waren onze oren iets degelijks mochten’ werd werkelijkheid. Al was het terwijl we alweer begonnen waren met krimpen.

Het gevolg was dat bijna al het oude overtollig werd. Dat alles leverde ik af bij Meneer A. Als gift. Daarbij gaf ik hem echter één ding meer dan ik van plan was. In de cd-speler zat nog een cd. Een gloednieuwe nog wel, van Holland Baroque. Zo gauw ik het doorhad sjeesde ik weer naar Meneer A, voor het te laat was. Het was te laat. Althans, Meneer A kon hem niet meer vinden.

Inmiddels had corona ook in de winkel zijn gevolgen. Zo had Meneer A van doorzichtig plastic een wat primitieve afscheiding gemaakt. Daarmee had hij de reparatieruimte afgescheiden van de rest van de zaak en resideerde hij aldaar. Tot een klant iets kopen wilde.

Mijn cd, echter, moest zich juist ergens bevinden in de navel van de chaos, de reparatieruimte. Tussen vele andere cd’s, spaghetti-hopen aan snoeren, video’s en nog veel meer. Beteuterd tuurde ik door het plastic, maar durfde niet te suggereren zelf een zoekactie te mogen beginnen. Alleen al niet voor Meneer A’s veiligheid.

Dus gaf ik hem mijn nummer, in het onwaarschijnlijke geval dat hij mijn cd nog terug zou vinden. ‘Holland Baroque’, schreef ik erbij. De kans dat er van dat maagdelijk glanzende schijfje in de zwarte soep nog een tweede was, naderde tot nul. Een veel grotere kans was er dat Holland Baroque de nacht zou moeten doorbrengen in het gezelschap van wie weet wat voor heavy metal, Harry Potter en wat de klanten van Meneer A nog meer apprecieerden.

Fata morgana

Ondertussen was mijn oog gevallen op een mededeling dat Meneer A ook deed aan het digitaliseren van oude videobanden. Daarvan had ik er eentje al een jaar of dertig, zonder hem ooit te hebben bekeken. Een gevolg van het overleven van het videobandentijdperk zonder videospeler.

‘Dat doe ik gratis voor u’, zei Meneer A, ‘want u heeft mij al zoveel gegeven’.

Op dat aanbod wilde ik niet ingaan, maar wel wilde ik die oude band graag laten overzetten op een schijf. Die tape had ik namelijk gekregen van de bedwinger van De Grootste Autobandenbrand Aller Tijden, hoogstpersoonljk.

Maar toen ik de dvd kwam ophalen was die nog niet klaar. De band bleek namelijk beschermd te zijn tegen kopiëren. Niet voldoende om Meneer A daarvan te weerhouden, maar hij had daarvoor meer tijd nodig. Geen punt, haast had ik niet.

Of het hem ooit gelukt is? Waarschijnlijk zal ik het nooit weten. Zeker is dat Meneer A twee weken naar Kaboel ging, maar daarna vond ik de winkel telkens gesloten. Eén keer niet, maar tot mijn verrassing vond ik er een lief ogende jonge vrouw. Een dochter.

Haar aanwezigheid was slecht nieuws.

‘De zaak is failliet’, verklaarde ze, ‘en mijn vader ligt in het ziekenhuis’.

Ik zakte door de grond. Niet zozeer vanwege mijn spullen, waarvoor iedere hoop nu vervlogen leek, maar vanwege Meneer A zelf.

‘Toch geen corona?!’, zei ik.

Wel dus. Meneer A lag zelfs op de IC, op de rand van het einde. Zijn zaak al over de rand. Kon het erger?

De dochter suggereerde haar vader op de IC te vragen naar mijn video, een idee dat ik nog in de kiem kon smoren.

Nog één keer bezocht ik zijn winkel en trof er toen zijn zoon. Lang, slank, sympathiek. Zijn accent 100% NL, zijn kleding met Afghaanse accenten. Zijn vader had de IC overleefd, maar was nog steeds niet uit het ziekenhuis. Ondertussen probeerde de zoon op zijn vrije zondagen de zaak uit te verkopen en had daartoe zelfs een vriend buiten geposteerd. Die zat daar naast een deel van de voorraad, waarin ik ook mijn cd-speler meende te herkennen. Op de stoep.

De zoon hoopte dat er voor de Baroque en de Bandenbrand meer kans kwam naarmate de boedel slonk, maar ik rekende er niet meer op. Ik gaf er zelfs nog iets bij, een witte envelop tussen al het zwart, met Sterkte! erop.

Arme Meneer A. En dan wist hij nog niet eens wat er te gebeuren stond op zijn oude stek, de luchthaven van Kaboel.

Hoe zou het nu met hem zijn? Waar hij woonde, geen idee. Ik schrijf het gewoon nog een keer:

Meneer A. Sterkte!

TERZIJDE

Tijdens de Hagersville Tire Fire brandden 14 miljoen autobanden 17 dagen lang.

Ik ontmoette de bedwinger ervan in verband met een bandenbrand in Toscane. Daarbij gaf hij me een officiële video van ‘zijn’ brand.

Ik wipte even binnen in een winkeltje in Utrecht, waar een Afghaan het hoofd boven water houdt door een werkschema van 7/7, al jarenlang. Mijn vrees dat hij misschien vast zou zitten in Kaboel, zoals Meneer A bijna gebeurde, bleek ongegrond. Hij wilde er al nooit meer naar terug.

Het indrukwekkendste van de Taliban is misschien nog wel hun schoeisel. Alsof ze het wonnen op hun sloffen.

Nogal wat Afghanen hebben daar nu letterlijk vrede mee, zegt de Utrechtse Afghaan. ‘Niet omdat de Taliban goed zijn, ze zijn slecht, maar omdat de mensen moe zijn. Van oorlog en corruptie’.