Sterre

*
* STERRE *

Zo één die je uit kan trekken. Zo’n eettafel hadden wij vroeger thuis. En minstens één keer per jaar kwam dat heel goed van pas: bij het kerstdiner. Mijn ouders vonden namelijk dat aan de kersttafel ook plaats moest zijn voor hen die in de stoelendans van het leven ongelukkig bleken, want nooit voel je je nadrukkelijker zonder stoel dan wanneer iedereen zit.
Eén van hen was Sterre. Hij woonde vlakbij. Even het laantje uit, om de hoek. Sterre kwam wel vaker bij ons thuis, vooral nadat zijn zuster onverwachts overleden was. Sindsdien was hij helemaal alleen. En sindsdien leek hij – met zijn onafscheidelijke fiets, zijn pet en zijn regenjas – wel op een variant van De Laatste der Mohicanen. Hij was de enige overlevende van de ‘Larense School’, een groep schilders die zich rond de eeuwwisseling in het Gooise dorpje gevestigd had. Hoewel, eigenlijk was het zijn vader geweest die in die dans de laatste stoel had bezet. Sterre hoorde in zijn hoofd nog wel de muziek, maar de dans was voorbij. En toch was hij de laatste die nog net bij die wereld had gehoord. Hij was net op tijd geboren om de cyclus die het dorp Laren zou doorlopen zich in zijn geheel te zien voltrekken: een boeren-, een weversdorp waarvan de pittoreske armoede een hele schare schilders aangetrokken had, Mauve, Moes, Mondriaan…, met de meer sterfelijke kunstzinnigen in hun kielzog, de welgestelden daarna, gevolgd door de ronduit rijken en, tot slot, de poenigen.

Daartussendoor kon je Sterre nog zien in het dorp. Op zijn zware zwarte schoenen, fiets aan de hand, zijn grijze pieken uitpiepend onder zijn pet, terwijl hij zich een weg probeerde te banen tussen strak aaneengeparkeerde Porsches.
En toch, ondanks dat alles veranderd was, ondanks het verlies van zijn zuster, was Sterre af en toe wel treurig, maar niet bitter. Hij had een scherp verstand en hij was geestig. En dat-ie geestig was, dat wist-ie. Iedere mop of anekdote sloot hij steevast retorisch af met de vraag: ‘Is-ie geestig, of niet?’
Meestal moesten we toegeven dat hij gelijk had. Zoals bij het verhaal van zijn vader, die het aan de stok had gehad met een opdrachtgever, een man die zichzelf veel mooier vond dan zijn pas voltooide portret. Waarop de schilder zich zo kwaad maakte dat hij zijn werk kapotsloeg op het hoofd van de ijdeltuit, het houten raamwerk rond diens nek, en zei: ‘Nu lijkt-ie precies!’


Het was die Kerstmis toen het zo glad was, dat ik Sterre thuis ging ophalen voor het diner. Hij liep toen al slecht.
Ik glibberde naar zijn huis. Eigenlijk was ik nog nooit bij hem binnen geweest. Ik klopte aan, een bel was er niet. Even later klonk er enig gemorrel en opende Sterre de deur. Hij zei: ‘Kom binnen’.
Binnen was het ijskoud. Sterres woning bleek voornamelijk uit één grote ruimte te bestaan, één grote uitdragerij waarin een klein potkacheltje zomaar één van de toevallige voorwerpen leek te zijn. Ik wist wel dat Sterre een ‘vriendin’ had in een zigeunerkamp zo’n twintig kilometer verderop – daar ging hij op de fiets wel eens naar toe -, maar het zou pas postuum zijn voordat ik me realiseerde dat Sterre eigenlijk zelf een zigeuner was. Want, hoe vriendelijk Sterre ook mocht zijn, hij was wild. Sterre was niet te temmen. En zijn huis was een woonwagen zonder wielen. Die wielen zaten aan zijn fiets.
Ondertussen zocht hij tussen allerlei rondslingerende blikjes naar iets eetbaars voor Roel, zijn grote rode kater.


Roels baas, dat moet gezegd, had zich werkelijk op zijn kerstbest aangekleed. Hij had zowaar een splinternieuw overhemd aan. Knalrood flanel, met ruiten. En zelfs had hij een stropdas omgeknoopt. Alleen aan die knoop kon je al zien dat zijn zuster er niet meer was.
We gingen naar buiten en begonnen onze korte, glibberige reis. Sterre gaf me een arm. Het was koud en Sterre drukte zijn hoofd nog iets dieper tussen zijn schouders. We schuifelden de hoek om, die hoek die er in mijn mensenheugenis altijd was geweest, maar in die van Sterre niet. Hij vertelde over de wuivende korenvelden van vroeger, op de plaats van al die torenhoge bomen en de huizen in onze straat.
We kwamen bij het kerkje van de Protestantenbond. Het leek me in alle opzichten een passend moment om Sterre eens te vragen of hij eigenlijk bij een kerk hoorde, of hij misschien protestant was, of katholiek.
‘Nee’, antwoordde Sterre en hield op met schuifelen. Hij keek me aan met oogjes die schitterden als de sneeuw in het licht van de lantaarns, en zei: ‘Ik denk zelf’.

*

©  Joost Overhoff