Rust in Vrede

RUST IN VREDE

Toscane,

Het piepkleine kapelletje was stampvol, het kapelletje van San Giovanni. We konden er bijna niet meer bij. Het leek wel alsof iedereen gekomen was, alle inwoners van het dorp, of ze hem nu gekend hadden of niet. Ook wijzelf trouwens kenden hem maar nauwelijks. En toch meenden we dat het was alsof hij ons verwachtte.
De kist was bijna niet te zien. Af en toe schemerde er iets van gelakt hout tussen de aanwezigen door. Vlak voor ons stond een klein, grijs vrouwtje dat vlak bij ons woonde. Het was het lot van haar lengte dat zij waarschijnlijk helemaal niets zag, terwijl haar bewegingen verraadden dat juist zij van alles niets wilde missen. In haar hand droeg ze een zelfgeplukt boeketje, gewikkeld in een krant. Op de krantekreukels prijkten twee, vergelijkende foto’s van een mannenhoofd. ‘SALVATE I VOSTRI CAPELLI!’, stond er in grote letters boven, ‘REDT UW HAAR!’ Het was een raad die voor de overledene te laat kwam. Niet dat hij niet nog heel wat haar had willen doen groeien voordat hij afscheid van het leven nam. Zijn dood was geheel onverwacht.

Damocles.S
Toscane (detail)


Daar, vooraan, onder het gelakte hout, wisten wij een Zwitser. Hij had een huis bij ons in de buurt en was van plan geweest zich er nu, na zijn pensionering, permanent terug te trekken. Waarschijnlijk was het daarom geweest dat hij ons voor een avond bij zich thuis had gevraagd. Om de mensen die vlakbij hem woonden beter te leren kennen. Maar de dag waarop hij ons gevraagd had bleek de dag van zijn begrafenis te zijn. Daarom hadden we besloten toch te komen. We hadden tenslotte een afspraak. Hij was er, wij waren er, hoewel de dood en het gelakte hout ons van een verdere kennismaking scheidde.
Het was bij toeval, vlak voor de begrafenis, dat we gehoord hadden dat hij die avond niet komen zou. In Italië word je doorgaans razendsnel begraven, meestal al de volgende dag. Voordat je goed en wel beseft dat je dood bent, is meestal alles al voorbij. De Zwitser was een extra dag gegund, zodat de familie nog komen kon.
En de familie was er, de kinderen en de vrouw waarvan hij, min of meer, gescheiden was. Ze hadden muziek meegenomen en een toespraak, een rede waarin de overledene de revue passeerde. De overledene die wij nauwelijks hadden gekend, maar waarvan wij wel wisten dat hij in het leven vooral van twee dingen gehouden had: van paardrijden en van roken. De wetenschap dat hij op die laatste dag al rokend van zijn paard gevallen was, schonk – althans ons – de vrede van een einde in zijn eigen stijl. Een consistent man.

*

uit:
De Smaak van Italië