De Valk en De Uil

Het was een paal van het elektriciteitsbedrijf. Zo'n ding waar je ook als vogel energie van krijgt.

Terug

*

*    VERSE FABELS    *

*

5

DE VALK en DE UIL

Het was een paal van het elektriciteitsbedrijf. Zo’n ding waar je ook als vogel energie van krijgt. Een uitkijkpost met zicht op al het eten onder je. Vandaar dat de uil daar zo graag op zat. Totdat die verdraaide valk op het toneel verscheen. En die pikte meteen dat plekje in.
Niet, trouwens, dat er geen plaats was voor twee. Bovenaan de paal zat een dwarsbalk, met ruimte voor wel twee uilen en twee valken aan weerskanten.

falco.2.M

Bovendien was het geen probleem geweest als de valk een gewone valk was geweest en de uil een andere. Een andere soort. Maar nee, het was een steenuil. Gewone valken beperken het paalzitten tot overdag en uilen tot de nacht. Maar deze valk maakte het graag laat, terwijl steenuilen ook graag nog voor het duister bij de wereld zijn.
Kortom, zoals je ook in cafés weleens ziet, komt er een moment waarin de nachtuilen en de vroege vogels elkaar treffen. Maar, dat was nu juist het probleem, de uil wilde de valk helemaal niet treffen. Beter gezegd: hij durfde niet. Nog beter gezegd: zij durfde niet, want het was een dame. Net als de valk. Niet dat dat het juist makkelijk maakte, zo van ‘We zijn toch vrouwen onder elkaar?’
Nee, want damesvalken zijn veel groter dan de heren en daarmee was de steenuil helemaal een onderdeurtje vergeleken met de valk. Bovendien was het uiltje een beetje onzeker over haar figuur. De valk was mooi slank en zijzelf een beetje een dikkig propje.

Civetta.S

Zo zat het uiltje elke dag knarsesnavelend te kijken hoe ‘die valk’ op ‘haar plaats’ zat, net zolang tot het Mevrouw V. behaagde om maar eens naar bed te gaan. Je voelt het al aan: dat kon zo niet blijven. Het uiltje kreeg er namelijk geen vrede mee. Nee, de onvrede stapelde zich binnenin haar op, waarbij het wel leek alsof dat propje steeds dikker werd. Maar daar werd ze niet nog onzekerder van, integendeel. Ze dacht: ‘Ik mag er toch ook zijn? Wat denkt ze wel?!’ Waarbij het geenszins zeker was of de valk inderdaad iets dacht. En zo ja, dan was ze mogelijk meer bezig met de keuze tussen die muis daar of die hagedis. Of toch maar die sprinkhaan? Lekker krokant.
Zeker was dat ze nooit had gedacht aan wat er te gebeuren stond. Zomaar, opeens, zat er iets naast haar. Aan de andere kant van de paal dan wel, maar toch. De valk was verbluft. Het lef! Wie was dat? Ze bewoog haar kop, om langs de paal te kunnen kijken.
Daar zat, ja wat? Een gevederd propje. En dat propje keek een andere kant op. Bovendien, als het uiltje had kunnen fluiten dan had ze het gedaan. Om de indruk te wekken dat het gewoonste zaak van de wereld was dat ze daar zat.
Maar de valk, de valk vond het ongehoord. Ze zat paf. Met stomheid geslagen. Even.
Daarna siste ze. Het uiltje reageerde niet.
‘Hé daar!’, riep de valk nu.
Langzaam draaide het uitlje haar kop opzij en keek haar kersverse buurvrouw brutaal aan.
De valk slikte even. Als ze gedacht had de indringster met haar roofogen zomaar even te verjagen, dan kwam ze bedrogen uit. Het uiltje kon daar ook wat van. En hoe.
‘Hm’, dacht de valk en liet haar blik naar beneden gaan. Daar zag ze een stel klauwen dat er ook mocht zijn. En, eerlijk gezegd, vond het uiltje dat het lengteverschil best mee viel. Al met al groeide haar zelfverzekerdheid, ook omdat ze als een echte uil verziend was, waardoor de intimiderende elegantie van de valk van dichtbij minder opviel.
‘Wat doet u hier?!’, vroeg de valk. Aangezien valken van adel zijn, zijn ze heel beleefd, maar duidelijk was dat in die vraag meteen een advies besloten lag: ‘Scheer u weg!’
‘Wat ik hier doe?’, zei het uiltje, ‘zitten’. Als antwoord op een vraag die geen vraag was.
‘Ja, dat zie ik’, sprak de valk spottend, ‘maar u hoort hier niet’.
‘Jij dan wel?’, vroeg het uiltje.
‘Ik wel, mevrouw’, zo liet de valk stellig weten.
‘Nou’, zei de uil, ‘vroeger zat ik hier altijd. En nu nog steeds, als jij naar bed bent’.
‘Zo zo’, zei de valk, ‘maar dat was vroeger. En nu zit ik hier’.
‘En ik ook’, constateerde de uil droog.
‘Die toon van u bevalt mij niet’, sprak de valk hautain.
‘Nou ja, ik ben niet zo deftig geboren als jij’, zei de uil.
‘Dat is duidelijk’, sprak de valk, op een toon alsof die mededeling van de uil geheel overbodig was.
‘En ik kan u zo wegjagen als ik wil’.
‘Dat gaat je nog tegenvallen’, voorspelde de uil.
‘Dat zullen we dan wel eens zien!’, siste de valk en voegde direct de daad bij het woord. Ze steeg op als een straaljager en bereidde een duikvlucht voor op dat zo brutale uiltje.
De valk liet zich vallen als een steen. Het uiltje hield de adem in en trok onwillekeurig haar kop nog iets naar binnen. Maar, bij verrassing, scheerde de valk vlak langs haar en dook nog verder, naar de grond. Daar grepen haar sterke klauwen een klein viervoetertje en nam het mee omhoog, naar haar zitplaats op de dwarsbalk.

Aan de andere kant van de paal maakte de schrik van de steenuil al snel plaats voor vervoering: ‘Oh, een woelmuis! Wat heerlijk! Eet smakelijk!’
Hoewel de valk met dat smakelijke eten al zo druk bezig was dat een ‘Dank u’ er niet in zat, moest ze bekennen dat die wens van de buurvrouw haar toch meeviel.
Die buurvrouw, ondertussen, was uitgebreid van wal gestoken met een gastronomische uiteenzetting over de smaakverschillen tussen de woel-, de spits- en de huismuis. Terwijl de valk zelf druk met de woelmuis bezig was, hoorde ze wel dat het uiltje naast haar dan wel een ‘steenuil’ heette, maar net zo goed als ‘gourmetuil’ door het leven kon gaan. Ze had haar muis al bijna op en eigenlijk geen honger meer.
‘Hoe heet u eigenlijk?’, vroeg ze.
‘Mijn naam is Athena’, sprak het uiltje, nu op haar beurt bijna deftig. ‘En jij?’
‘Mijn naam is Artemis’, onthulde de valk, nog net een tikje deftiger. Ze moest dan wel erkennen dat het uiltje een verrassend mooie naam had, maar ze wilde ook door de uitspraak van de hare laten horen dat die toch nog mooier was.
Dat nam niet weg dat ze, ook door die lekkere muis, inmiddels een stuk milder was gestemd.
Sterker, ze wees met haar scherpe snavel omlaag. Het uiltje volgde haar blik. Onder de valkenklauw bengelde nog de staart, het enige dat er nog van de muis over was.
‘U spreekt zo smakelijk over eten’, zei de valk, ‘misschien wilt u…?
De uil kon het amper geloven, maar zei toch: ‘Nee, dank je. Voor jou is het nu dinertijd, terwijl ik net aan mijn ontbijt toe ben. Dan neem ik meestal iets luchtigers. Wat kevertjes, of zo, een beetje crunchy’.
‘Ik snap het’, zei de valk, die de staart dan toch maar zelf naar binnen slurpte alsof het spaghetti was.
‘Trouwens’, bekende het uiltje, ‘ik dacht even dat je het op mij begrepen had…’
‘Goed begrepen’, zei de valk voldaan, ‘maar ik zag op het laatste moment twee dingen’.
Het uiltje keek haar vragend aan. ‘Die muis en wat nog meer?’
‘De draden’, zei de valk. ‘De elektriciteitsdraden, die zaten in de weg’.

falco3.M

‘Daar rekende ik al op’, beweerde Athena.
‘Zo zo’, zei Artemis, voor een tweede keer. ‘Dan had je dus gelijk’.
Dat was iets waar de uil niet op gerekend had: de valk gaf haar zowaar gelijk en, nota bene, tutoyeerde haar.
Het bleek, inderdaad, een ommekeer. Het werd voor de valk zelfs nog later dan gewoonlijk. De twee babbelden honderduit, over die sukkels van mannen die ze hadden en of hagedissen nu goed waren voor de spijsvertering of niet.
Vanuit een boom in de verte klonk een kreet.
‘Mijn man”, verontschuldigde de valk zich. ‘Ik moet maar eens gaan’.
Het uiltje zei: ‘Sterkte’.

*©  Joost Overhoff

TERZIJDE
De illustratie van de steenuil is van de hand van de even sympathieke als knappe graficus-fotograaf
Joris de Raedt. Gaat dat zien!

Alle Verse Fabels