De Dassen

paradijs-2

I Tassi – De Dassen

De nacht is vredig. Lijkt het. Maar wat weten we er eigenlijk van? Wij zijn binnen. In bed.
Buiten gaat het leven door. Sterker, het draait er op volle toeren. En er is iets in de maak. Misschien broeide het er al een tijd, wie zal het zeggen? Misschien liep de spanning al dagen, weken, maanden op. Je zou het bijna denken als je zag wat er volgde. En hoorde!
Maar wie weet hebben ze gewoon héél korte lontjes. Standaard.
Opeens begon het. Vanuit het niets. En, dat was het gekke, meteen op volle kracht. Totaal. Van nul tot maximaal binnen een seconde. Wat een geluid!
Poezen konden het niet zijn. Reeën? Nee. Wat dan wel? Stekelvarkens misschien?
Het gekrijs ging door. Of wat was het eigenlijk? Brullen, schreeuwen, gillen? Eén ding was zeker: dit was niet zomaar wat. Dit was serieus.
Ik graaide naar de zaklantaarn en liep naar het raam. Vanaf daar ving ik ze. In het licht.
Beneden was het oorlog. Maar dan ook echt. Twee sterke beesten, niet groot, niet klein. Twee dassen.
Hun ogen gloeiden oranje in het licht van de lantaarn. Twee duivels, leken het. ‘Toe, jongens! Dit is toch het paradijs?!’
Van bovenaf was het makkelijk praten, maar voor geen goud had je er tussen willen staan.
Dassen, je ziet ze zelden. Maar ze kunnen fabelachtig bijten. Zo enorm is die bijtkracht dat biologen niet goed begrijpen waar de das dat toch voor nodig heeft. Want wat eet hij het liefste? Spaghetti. Althans, in de vorm van regenwormen. Die bijt hij heel subtiel in de kop die zich boven het maaiveld waagt, zodat hij de rest zonder tegenstand omhoog kan trekken.

Das.S

Tja, dassen. Ze zien er vreemd uit en ze hebben een vreemde naam. Die zou teruggaan op het Latijnse ‘texere’ (weven) dat weer in verband zou staan met de bouwkunst van deze beesten. Dassen bouwen ‘burchten’. Sommige ervan gaan zelfs eeuwen mee. Maar ze hadden de das net zo goed ‘mars’ kunnen noemen, naar de oorlogsgod. Mamma mia, wat een wilde woede!
Eén van de twee probeert er vandoor te gaan, maar wordt daarbij lelijk opgehouden. Zijn vluchtweg wordt versperd door een uitvinding van een andere diersoort met territoriumdrift: een hekje. Met ijzeren spijlen. Daardoor heeft de das op het hazenpad ernstig last van zijn design: het is een wandelende wig. Van voren gaat hij er makkelijk tussendoor. Maar dan…
Ik vrees dat het de tanden waren van de duivel achter hem die leerden wat zijn redding werd: waar een wil is, is een weg. Als het moet, blijk je slanker dan je denkt. Nou ja, heel even.

*

© Joost Overhoff

Alle Details uit Het Paradijs