601. 王羽佳

Het was zover. Eindelijk. Een vriend was zo goed geweest ons kaartjes cadeau te doen. Voor haar. Een groot cadeau voor iets kleins. Want groot is ze niet, Yuja Wang. Wel groots.

Al eerder schreef ik over haar op deze site. Ze is een fenomeen. Een pianovirtuoos, op hele hoge hakken. En gehuld in outfits die je met de ogen doen knipperen.

Eindelijk gaan we haar dan nu bewonderen in het echt. In het Amsterdamse Concertgebouw. Het reikhalzend uitzien naar haar pianospel wordt daarbij naar de kroon gestoken door de vraag hoe ze eruit zal zien. Dat haar hakken hoog zullen zijn leidt geen twijfel, maar zal ze daarmee die torenhoge trap durven afdalen, of komt ze van opzij? De Chinese heeft lef voor tien, dus…?

Ja, die hakken. In Italië is Tacco 12 een begrip. Er is zelfs een website die zo heet en het aldus omschrijft:

‘Altissimo e sottile rappresenta la massima espressione della femminilità’.

‘Héél hoog en dun, vertegenwoordigt het de maximale expressie van vrouwelijkheid’.

(Toch heb ik ook weleens een Italiaanse gezien op… crocs)

Italië, detail.

De 12 staat daarbij voor twaalf centimeter. Maar zijn Wangs hakken soms niet nóg hoger?

Eén ding is zeker: die beroemde rode trap is een schier eindeloze reeks verraderlijke hordes op weg naar iets glanzend zwarts in de diepte.

Hoewel, waar is die vleugel eigenlijk? Ah daar, helemaal aan de zijkant. Eerst krijgen we nog een stuk zonder Wang, als opwarming bij een popconcert. Bij wijze van voorprogramma.

De musici die voor dit concert massaal zijn opgesteld behoren tot het Swedish Radio Symphony Orchestra. Hm, wat zal dat worden? Is ‘die kleine’ zó duur dat er op het orkest moest worden beknibbeld? Kon het huisorkest van hier er niet meer af?

We gaan het zien. De deuren boven zwaaien open en daar komt de dirigent. Het is Esa-Pekka Salonen, een Fin, die zo te zien zijn stempel heeft gedrukt op het menu.

Eerst Jean Sibelius. Vooruit dan maar, vol ongeduld. Wachtend op haar. Waar gaat zij trouwens mee van start? Met Einojuhani Rautavaara. Pardon, wie?! Nooit van gehoord. Maar als Finse naam wel héél bevredigend. Veel meer dan ‘Jean Sibelius’.

Opnieuw zwaaien de deuren open. En daar staat ze dan. Te schitteren. Letterlijk. Wow!

Zilverglitter, overal, al is dat ‘overal’ dan minimaal. Ze staat daar alsof ze zich van zaal heeft vergist. Alsof ze klaar is voor het WK kunstrijden. Maar daalt ze de trappen af op schaatsen, smetteloos witte? Welnee, ‘gewoon’ op haar trademark stilettos. Gitzwarte.

Haar ultrakorte glitterpakje is rondom verrijkt met een paar ultralange zilverslierten. Zo stelt ze zich op naast haar Steinway en doet er direct haar bekende buiging bij. Ultrasnel en ultradiep. Zó, dat je iedere keer bang bent dat ze heel hard haar hoofdje zal stoten tegen dat wat ze binnenkort te lijf zal gaan. Maar nee.

Ze neemt plaats achter het klavier en pas dan valt het me op. Wat er voor me zit. Het is mannelijk en heel groot. Gehuld in ruitjes. Van een bepaald soort.

Nu zijn er ruitjes die nog wel kunnen, die nog iets hebben van een zekere vrolijkheid. En je hebt van die hopeloze, die op de saaiheidsschaal doorslaan door het nulpunt. Dat waren deze. Binnenin vermoedde ik een inderhaast weggewerkte krentenbol.

Er bovenop, ook een opvallend bol hoofd. Althans, zo kwam het mij voor, vanwege de moeite die ik had – links, rechts, links, rechts – nog een glimp op te vangen van zijn absolute tegenpool. Want, dat moet gezegd, ook het contrast was een spektakel.

Dat gold zeker ook voor wat er te horen was. Gaandeweg begon ik ervan doordrongen te raken dat het publiek voor dit concert weliswaar diep in de buidel had moeten tasten, maar dat de ‘kosten per noot’ begonnen uit te komen op ‘redelijk’ en zelfs daalden tot ‘een koopje’.

Daarbij nam het aantal gespeelde noten telkens krachtig toe wanneer de kleine haar rechter onderarm in zijn geheel op het klavier beukte. Dat schiet op. Een kennelijk Finse gewoonte, maar dan wel van na Jean.

Van de Finnen koester ik in mijn hersenpan vooral twee dingen.

1) Ooit zat ik in de Trans-Siberië Express met een Finse professor. Denderend door eindeloze bossen schilderde ze mij ‘de typische Fin’: Hij zit, hij drinkt, zegt niets. Daar gaat hij op zijn beurt schier eindeloos mee door, totdat hij, opeens, opstaat. Woedend. Een mes trekt…

2) Mijn andere Fin vertelde dat hij, al rijdend in zijn auto, in de ook eindeloze bossen bij hem thuis zich bezighield met ‘Hoeveel kilometer kan ik mijn adem inhouden?’

Dit alles deed mij concluderen: Finnen kunnen origineel zijn en in staat tot plotselinge gewelddadigheid. Voilà, de muziek van Rautavaara. Daarom was het wel toepasselijk dat er iets anders onverwachts gebeurde. Of het nu kwam door zijn muziek, ondanks dat, of dat het er helemaal niets mee te maken had, in elk geval verloor iemand in het publiek het bewustzijn. Een paar rijen voor ons hing er een hoofd achterover. Door slaap overmand? Onmogelijk, met een rammende Wang pal voor. Het moest dus iets ergers zijn. Een vrouw wurmde er zich vanaf een andere rij fluks naartoe. Een arts, wellicht. Er verschenen hulptroepen, steeds meer.

Orkestleden die van Rautavaara even vrijaf hadden keken de zaal in. Wang hoorde daar niet bij, die had het veel te druk.

Uiteindelijk wankelde de patiënte langs ons door het gangpad, met wezenloze blik, aan weerszijden ondersteund door personeel.

De rest van het publiek putte zich even later uit in een oud-Hollandse specialiteit: ‘De Toegiftvragende Ovatie’. Standaard staand uitgevoerd.

Er kwamen er twee, waaruit bleek dat Wang Yujia, zoals ze eigenlijk heet, haar naam ten volle verdient. Wang betekent ‘koning’, Yu= ‘veer, pluim’ en jia is zoveel als ‘fijn, mooi, delicaat’. Zo is ze, zo speelt ze. In staat tot even grote kracht als verfijning.

‘Virtuoos’ doet haar eigenlijk nog onrecht. Haar talent overstijgt haar techniek.

Het is pauze. Ook de piano is eraan toe, na dat Finse geweld. Een stemmer verleent EHBO. Ik vraag aan een personeelslid hoe vaak het gebeurt dat er iemand onwel wordt. ‘Heel vaak’, zegt hij, onomwonden. En iets schuchterder: ‘De airconditioning werkt niet zo goed’. Nóg schuchterder: ‘Eigenlijk hebben we die niet’.

Te koud mag het in elk geval niet worden, met een soliste die zoveel vel laat zien. Na de pauze trouwens heel wat minder. Dit keer daalt ze af in het lang, in puur zwart. Bijna zedig.

Ze gaat ons betaald trakteren op het roemruchte linkerhandconcert van Ravel. Die programmering begrijpen we nu helemaal. Haar rechterarm moet nodig rusten. Maar in het gips zit-ie niet. Daardoor is die totale rust helemaal niet zo evident.

Het concert is geschreven voor iemand die zijn rechterarm moest missen. Maar als je hem nog wél hebt, is het alsof je die rechter ziet denken: ‘Ik heb het dan net wel zwaar gehad, maar ik kan nog best een handje toesteken bij al die noten voor links’. Of is-ie zelfs jaloers?

Maar ja, het ‘mag niet’, dus waar laat je hem dan, die arm? Wangs werkloze hand zwerft van de stoel naar haar zij. Op een gegeven moment, tot ontroering van een pianoleraar naast me, grijpt ze zelfs de zijkant van de vleugel vast, als om een irreguliere interventie van rechts te voorkomen.

Dan is het uit. En is het ontegenzeggelijk:

Wát een klavierleeuwin.

Yuja Wang

TERZIJDE

– De i in Yujia is eruit gevallen. Voor Westers gemak?

– Het Zweedse orkest? Prima de luxe.

– Esa-Pekka Salonen? Ook hij een Fin met humor.

Eerder over Wang.