Gerry

Fictie is niks. Het leven zelf, daar kan geen bedenksel tegen op. Toch heeft fictie op het echte leven minstens één ding voor: als het bedachte te erg blijkt, dan streep je het door. Maar als het echte te erg is…

Het is 2011, we hebben iets te vieren. Tijd voor een tochtje en ik vertelde iemand van ons plan.
‘O, Ierland!’, riep ze. ‘Ken je In The Name Of The Father‘?
Er viel een stilte.
‘Die film!’
Twee dagen voor vertrek. Er valt een envelop in de bus. Erin: een dvd.
Een dag voor vertrek. Ik wil iets bekijken op de site van het hotel, maar beland al googlend op een site over wezens die juist geen bed nodig hebben: spoken en geesten. (Zoek het verschil). Zijn die er in Ierland? ‘Nou en of!’, meent een echtpaar dat al dertig jaar op het eiland komt.

En waar spookt het in hun ervaring het meest? Op Aghadoe Heights, precies de plek van ons hotel. Die plek is ‘haunted‘, weten ze.
Hm, gaan we daar iets van merken?
Op de dag van vertrek valt mijn oog op onze nieuwe dvd. Ik graai ‘m nog net mee.

Killarney. Daar komt-ie, het shuttlebusje van het hotel. De chauffeur heet ons welkom. Het is Gerry. Een echte Ier, denken we. (Bijna goed). Op weg naar het hotel, tijd voor small talk. We hebben een film bij ons, In The Name Of The Father. Kent Gerry die?
Het was alsof het antwoord één, twee tellen later kwam dan je voor een simpel ‘Ja’ of ‘Nee’ verwachten zou. Maar toch nog snel, nu we weten dat die vraag achter het stuur insloeg als een bom. En dat op een dag die voor Gerry zo gewoon begonnen was, zelfs al is in zijn leven ‘Have a nice day’ alleen iets voor de gasten.
Zo verbluft was de chauffeur over die vraag vanaf de achterbank, vertelde hij later, dat hij zich die middag niet kan inhouden tegenover zijn manager: ‘Ik heb mensen binnengebracht die me vroegen over… In The Name Of The Father.
‘Nee!’, had zijn baas daarop geroepen. Vol ongeloof. Wat een toeval!
Het antwoord op onze vraag was ‘Ja’. Gerry had de film die we bij ons hadden al op zijn netvlies. ‘Logisch!’ zou iedere Ier zeggen, zo vermoeden we nu. Ieren die In The Name Of… niet hebben gezien, daar zijn er waarschijnlijk maar weinig van. En toch was het bijzonder dat dat ook voor Gerry gold. Dat hem het kijken ernaar gelukt was.
We nemen onze intrek. De kamer is riant, het uitzicht nul. Nou ja, bijna. Regen en mist reduceren het panorama tot een minimum. Alleen van het kerkhof is nog iets te zien. Keltische kruizen trotseren er het gure weer. Hoeveel hotels zouden er in de wereld bestaan met een graveyard view? Sommige van de kruizen staan scheef, alsof de wind het op den duur altijd wint.
Gerry brengt ons een dvd-speler en doet er nog een belofte bij: ‘Nadat jullie die film hebben gezien, zal ik er iets over vertellen’.
Die nacht spookt het, inderdaad. En hoe! Buiten dan. De wind rukt aan het dak, de regen geselt de grafstenen op het kerkhof. Maar binnen, van spoken geen spoor.

Aghadoe Heights

Aghadoe Heights

De volgende ochtend toont Ierland zich van een andere kant. Wolken, mist en filterzon begeleiden ons bezoek aan het kerkhof dat daar nu opeens onweerstaanbaar ligt te zijn. Ierser kan het niet. Murphy, O’Sullivan. O’zus, O’zo. ‘Vreemden’ lijken hier afwezig, maar het verliezen van een zoon voelt overal hetzelfde. Alleen die laatste zin zal hier en daar verschillen:

Son
It broke our hearts
To lose you
But you did not go alone
For part of us went with you
The day God called you home

Verderop staat een gezin te bidden bij een vers gedolven graf. Even later rennen de kinderen joelend voorbij. Het leven gaat door. Verstoppertje.

Gerry komt kijken of de dvd-speler het doet. Daarbij ziet hij ‘m liggen, de dvd zelf. Alleen al die aanblik blijkt hem te machtig. Hij houdt het niet meer: ‘Die film gaat over mij’, zegt hij. Althans, in zekere zin. Gerry’s remmen gaan los. In flarden komt het eruit. Hij trilt. Of trilt de lucht om hem heen? Door een ondraaglijke spanning. Gerry kijkt ons aan alsof onze ogen spiegels zijn. ‘U ziet het’, zegt hij.
Ik probeer hem te kalmeren. Op zijn bovenlip glimt het van het zweet. Maar hij wil het vertellen, hij moet het vertellen, waarbij willen en moeten in elkaar overgaan.
Goed. We spreken af bij het begin te beginnen, maar dan na afloop van zijn dienst. Eerst het verhaal van de film, dan het zijne.
Gerry weer weg, wij wandelen. Maar niet lang. Ons zo feestelijke ‘niets hoeven’ is onverwachts voorbij. In onze feestdag zit nu Gerry, en de film. Een strak schema. Gauw terug. High tea bestellen, film starten.
Het wordt ‘Tea & Terror’. Een denderende bomexplosie spat van het scherm. In The Name Of The Father gaat over de ‘Guildford Four’, vier jonge mensen die ten tijde van de Noord-Ierse burgeroorlog achter de tralies belandden. Ten onrechte.
Hoofdrolspeler in dit ware verhaal is… Gerry. Maar dan een andere. De ‘onze’ belt aan, tien minuten voor het einde. Hij gaat zitten op de rand van het bed, zijn blik gefixeerd op de beelden die hij al kent. Maar niet voor lang. Eén, twee, drie keer staat hij op, loopt weg en komt weer terug. Hij wil kijken, hij moet kijken, maar het lukt hem niet.
Op het flatscreen hangt vrijspraak in de lucht. Onze Gerry kijkt naar de rechter op het scherm en roept: ‘Zeg het, zeg het!’ Hij kan er niet op wachten.
De vrijspraak komt, de film is uit. Een diepe zucht. Wat een emotie.
Diep ademhalen en dan naar boven. We gaan naar het penthouse van het hotel. Extreme luxe, die inmiddels door de gasten verlaten is. Een werkster legt haastig de laatste hand aan haar werk en laat ons achter op de bank. Hier kan niemand ons nog storen.
We beginnen. Bij het begin.

Gerry komt uit Derry. Is dat dezelfde plaats die ook wel Londonderry heet? Inderdaad, zegt Gerry, maar katholieken uit die plaats kunnen dat eerste deel niet uit hun keel krijgen.
Gerry McGowan wordt er geboren in 1961, precies op tijd om op te groeien temidden van ‘The Troubles’. Het is een benaming die wat eufemistisch aandoet voor het drama dat Noord-Ierland decennialang verscheurt.

TROUBLE(S)

‘The Troubles’ in Noord-Ierland begonnen eind zestiger jaren van de vorige eeuw. Ze vonden hun oorsprong in spanningen tussen de katholieke minderheid tegenover een protestantse meerderheid. Het conflict spitste zich toe tussen de ‘nationalisten’ – vooral katholieken die afscheiding wensten van het Verenigd Koninkrijk – en de overwegend protestantse ‘unionisten’ die zich daartegen verzetten. Degenen die daarbij geweld voorstonden werden aan katholieke kant aangeduid als ‘republikeinen’, aan protestantse zijde als ‘loyalisten’. Een hoofdrol werd daarbij opgeëist door de (Provisional) IRA, het (Voorlopige) Iers-Republikeinse Leger’.
Het is echter de vraag in hoeverre deze eenvoudige voorstelling van zaken wel geldig was, of bleef. Lang na het begin van het drama ontmoette ik twee Noord-Ieren die het almaar voortduren van hun conflict verklaarden met één woord: maffia. Volgens hen speelden religie en werkelijke sociale tegenstellingen gaandeweg geen rol meer. De vijandigheden en de terreur in eigen kring werden in hun visie vooral nog voortgestuwd door inmiddels puur criminele belangen.
Het werpt de vraag op in welke mate conflicten in het algemeen langer duren dan ‘nodig’ is. Daarbij spelen naast weerwraak wellicht ook andere, oneigenlijke factoren een rol, zoals verslaving aan een machts- en gezagspositie die ontleend wordt aan het bestaan van een vijand. Het wegvallen van de tegenstander kan dan nog angstaanjagender zijn dan die vijand zelf. Eenmaal weer ‘gewoon burger’, loert om de hoek opeens geen sluipschutter meer, maar wel de schrikwekkende vraag: ‘Wie ben ik (nog)?’ Mogelijk zijn dat ook elementen die meespelen bij het ook nu nog af en toe opflakkeren van het Noord-Ierse geweld.
Wat geweld betreft was ‘Bloody Sunday’ één van de dieptepunten. Daarmee wordt het incident aangeduid van begin 1972, waarbij in Derry vele demonstranten werden neergeschoten door het Britse leger. Veertien van hen kwamen om.
In totaal kostte het conflict ruim drieënhalfduizend mensen het leven. In principe vonden ‘The Troubles’ een einde door ondertekening van het zogeheten Goede Vrijdag Akkoord van 1998.

Gerry is een gewone jongen, maar om twee redenen ook weer niet. Gerry gooit geen stenen naar de Engelsen, zoals zoveel katholieke pubers doen, maar gooit wel hoge ogen op een heel ander front: voetbal. Hij heeft zoveel talent dat hij op 17-jarige leeftijd vertrekt naar Engeland.
Vond men dat in Derry eigenlijk niet dubieus? Geen stenen gooien en dan ook nog spelen voor de vijand… Nee, zegt Gerry. Destijds werd haat tegen de Engelsen moeiteloos gecombineerd met het juichen voor Manchester United of Liverpool. Voetbal ontsteeg, ontstijgt alles. Daarom begrepen ze ook dat hij ging.
De linker middenvelder zit daar intern bij de club Leicester City, tegelijk met een andere jonge jongen: Gary Lineker. Na twee jaar wordt Lineker een profcontract aangeboden. Gerry, daarentegen, wordt al na drie dagen een pen voorgehouden. Een duidelijker indicatie van wat men in hem ziet is er niet. Op het internet vind ik er later een treffende omschrijving voor: ”de grootste Noord-Ierse belofte sinds George Best”.
En toch, in 2011 ligt de naam Lineker al decennia op veler lippen, maar McGowan? Met Gerry zou het anders gaan. Eén enkele knal zal een einde maken aan alles wat hij wilde. Het is een gekke gedachte voor zoiets dramatisch, zoiets ingrijpends: waarschijnlijk was-ie niet eens hard, die knal. Eerder gedempt, denk ik. Een geluidje van niks. ‘Tak’.

Het gebeurde op 14 februari 1979, op Valentijnsdag. Gerry was in Derry. En vooral omdat onder alle harten die die dag harder klopten ook het zijne was, herinnert hij zich precies waar hij was op dat fatale moment. Het moment waarop de hartslag van een andere jonge man juist stokte. Met één enkel schot maakt een sluipschutter een eind aan het leven van een Britse soldaat. Maar die kogel zal ook Gerry treffen, al weet hij dat dan nog niet. Zijn eigen horror heeft een ‘incubatietijd’.
In de dagen na de moord worden ruim twintig mensen opgepakt. Als Gerry er iets mee te maken had gehad, zou hij op die onvergetelijke 28e februari al lang weg zijn geweest. Zou je zeggen. Twee weken zijn een eeuw als je vluchten moet. Pure ‘luxe’, zo zal hij later leren.
Na de inval bij hem thuis volgt de ondervraging op het bureau. Een bijna exacte kopie van wat ‘de andere Gerry’ moest ondergaan, die van de Guildford Four. De verhoren duren uren achtereen. Dag en nacht, al verliest de verdachte gaandeweg het idee van het verschil.
Drie etmalen lang wordt er op hem ingebeukt met de beschuldiging van lidmaatschap van de IRA, zijn betrokkenheid bij de moord en meer. De klassieke verhoortruc is pas het begin: ‘Geef het maar toe, want je kompanen hebben al bekend. Met jou erbij’.

Gerry zit naast me op de bank, op de rand van de moeilijke passage in zijn verhaal die volgen gaat. Buiten vallen de contouren van het landschap weg tegen wat hij te vertellen heeft. Zelf is hij nog steeds even rank als de voetballer die hij van het noodlot niet mocht worden. Geen killer-type. Inderdaad, een echte middenvelder. Geen ‘bomber’ in de aanval, geen ‘sloper’ achterin. Een middenman.
Eigenlijk is hij er vrijwel zeker van dat onder de arrestanten van toen ook de schuldigen zich bevonden. Maar Gerry is getraind om met een bal om te gaan, niet met dit soort druk. De IRA-leden wel.
Na de derde dag is het gedaan. Gerry breekt. Vooral omdat door de verhoorders steeds grover geschut in stelling wordt gebracht. Net als in de film worden de duimschroeven maximaal aangedraaid. Er wordt gedreigd zijn vader te doden: ‘En als je het in de krant leest, zal er staan dat de loyalists het hebben gedaan’.
Het klinkt ongelofelijk, nu. Maar toen, daar… Het was oorlog. Fanatieke, aan Engeland ‘loyale’ protestanten en katholieke ‘republikeinen’ vermoordden elkaar soms zelfs dagelijks. En wat de ondervragers betreft blijkt ‘That’s not cricket‘, die oer-Engelse uitdrukking voor ‘onsportief’, meer dan ooit iets van een andere planeet. Sterker, bij dat ene dreigement van Gerry’s kwelgeesten blijft het niet. Eén van hen suggereert dat hij zelf, personally, Gerry’s zus zal verkrachten. Zijn zus, van veertien.
Dat is het moment waarop de combinatie van uitputting, druk en dreiging voldoende blijkt. Gerry tekent de verklaring die hem voorgehouden wordt, is bereid wat dan ook te tekenen. Hij ziet het redden van de anderen als zijn eerste prioriteit. Met hemzelf zal het wel goedkomen, neemt hij aan, want hij heeft het immers niet gedaan.

Ook drie andere jonge jongens zijn onder de druk bezweken. Ze worden opgesloten in de ‘politieke vleugel’ van de gevangenis van Belfast. Er zitten vrijwel uitsluitend echte terroristen in, van beide kanten. Een strikte scheiding tussen de twee kampen moet verder moorden voorkomen. Maar ook in ‘hun’ katholieke kamp moeten de vier in zulk gezelschap op hun tellen passen.
De gedetineerde IRA-leden weten dat de nieuw aangekomen gevangenen onschuldig zijn, maar maken duidelijk dat er van hun kant geen hulp te verwachten valt. ‘Reken er maar op dat jullie hier de komende vijfentwintig jaar zullen zijn’, is de boodschap.
De verdediging vraagt om vrijlating op borgtocht. De IRA-leden lachen erom. Borgtocht voor moord, zelfs al gaat het om medeplichtigheid, daarvoor bestaat in het hele conflict geen precedent.
Toch komt die borgtocht er wel. Na twee maanden gevangenis staat het viertal weer buiten. Mogelijk is het een gevolg van een campagne die in de tussentijd door sympathisanten is gevoerd. Onder hen zijn de vooraanstaande politicus John Hume en de bisschop van Derry, Edward Daly. En ook Daly heeft gewicht. Hij is de man op misschien wel de beroemdste foto van het hele conflict, zwaaiend met een bebloede witte doek tijdens de incidenten op ‘Bloody Sunday’.

Voor de vier verdachten volgt ruim een jaar van wachten op het proces. Alweer een zee van tijd om te vluchten. Ze doen het niet. Ze melden zich braaf iedere dag op het politiebureau en zorgen ervoor dat ze elke avond om tien uur binnen zijn.
Ondertussen werken ze aan hun zaak op hun eigen manier. Eén van de vier laat zich op tv onder hypnose brengen. En met elkaar brengen ze tienduizend pond bijeen om zich te onderwerpen aan het oordeel van leugendetectorexpert Chris Gugas, die ook de moordenaar van Martin Luther King onderzocht.
Maar al dit privé-initiatief buiten het juridische circuit heeft geen betekenis voor het strafproces, dat op 13 oktober 1980 een aanvang neemt. Een dag later wordt het, op verzoek van de aanklagers, verdaagd. En dan, opeens, slaat in het gerechtsgebouw van Belfast voor het viertal de bliksem in. De verdediging komt met een dringend advies: te vluchten. Diezelfde avond nog. Voor Gerry komt het als vanuit het niets. Maar de aanklagers hebben intussen een ‘deal’ voorgesteld: als de verdediging onschuldig pleit eisen ze levenslang, als ze schuld bekennen vijftien jaar.
De advocaten zien geen uitweg meer. Onschuldig zijn is onvoldoende. Hun ‘bekentenissen’ hangen de vier als zwaarden van Damocles boven het hoofd. Aan hen de keuze: zitten of vluchten. Bedenktijd: vrijwel geen.
Verbijstering, paniek. Wat nu? Ze besluiten te vertrekken. De tijd dringt, maar bij Gerry thuis spelen zich dramatische taferelen af. Zijn diepreligieuze moeder wil hem niet laten gaan. De enige die haar kan overtuigen is bisschop Daly zelf. Alleen als die het zegt dan kan, nee, dan moet ze ermee leven.
Gerry bezoekt de prelaat die de vlucht van de vier zijn zegen geeft. Gerry’s moeder weet nu dat het onontkoombaar is en rukt zich uit wanhoop met hele plukken de haren uit. Zijn zus, die de ondervrager dreigde te verkrachten, klemt zich aan hem vast, maar Gerry moet weg. Met bijna niets bij zich vluchten de vier in de richting van de grens. In het donker, dwars door de velden, bereiken ze County Donegal in de Ierse Republiek.

Gerry vertelt verder, boven in het penthouse op Aghadoe Heights. Het is niet ver van waar hij tegenwoordig woont.
Na de eerste opvang bij een priester, vlak over de grens, vestigde Gerry zich in Dublin. Zes jaar lang baantjes en voetballen bij een lokale club. Openlijk. Het kon dan ook niet uitblijven dat hij op een dag werd gearresteerd, samen met een van de andere voortvluchtigen. Maar na een paar dagen lieten ze hen weer gaan. Een Brits uitleveringsverzoek bleef uit. Onverklaarbaar, zo leek het.
Dan komt Gerry op hetzelfde idee als wij: een weekendje naar Killarney. Hij gaat er nooit meer weg. De plaatselijke voetbalclub doet hem een voorstel: kom bij ons en we garanderen je een baan. Want goed is Gerry nog steeds, maar een echte carrière zit er niet meer in. De voortdurende stress en slapeloosheid eisen hun tol. Bovendien is semi-prof het hoogste dat een voetballer in Ierland bereiken kan en Ierland kan hij niet verlaten. Officieel is hij nog steeds ‘on the run for murder‘. In Killarney weet bijna niemand dat. Gerry houdt het geheim. Zijn aanstaande bruid vertelt hij het wel, zijn aanstaande schoonvader niet. Diens toestemming, nodig voor een huwelijk, zou hij anders nooit krijgen. Geen enkele vader ziet een ideale schoonzoon in een voortvluchtige voor moord.
Zo blijft Gerry leven als in een kooi. Ook een andere carrière, buiten het voetbal, durft hij niet aan. Hij wil zo onopvallend blijven als maar kan.
Zijn geheim geeft hem al problemen genoeg. Zijn moeder wordt ziek, in Derry. Ze ligt op sterven en zijn vrienden dringen aan ernaartoe te gaan. Hun aansporingen gaan over in verwijten, maar Gerry kan er niet heen en moet zwijgen over het waarom. Naar de begrafenis gaat hij wel. Maar meer bizar, vervreemdend, hartverscheurend kan een uitvaart niet zijn.
Gerry breekt. Naast me op de bank, al die tijd later. Het duurt even voor hij weer verder kan. Over toen.
De stoet rijdt van Derry naar een plaatsje net over de grens. Daar wacht Gerry bij een kerkje zijn moeder op, neemt afscheid en sluit de kist. De stoet draait. En, nagekeken door haar zoon die zo lang geleden op stel en sprong vertrok, overschrijdt de begrafeniswagen weer de scheidslijn die ooit door de geschiedenis getrokken werd.

Jaren later krijgt de zaak opeens een wending. Toch nog. Een advocatenfirma in Belfast hoort van de zaak en komt in actie. In 1999 wordt het proces tegen de vier heropend en vrijwel direct daarop definitief beëindigd. Door de hoogste gerechtelijke autoriteit van Noord-Ierland, de Lord Chief Justice himself.
De vier zijn vrij. Na twintig jaar kan Gerry weer gaan en staan waar hij wil. Eng is het wel. Gerry gaat naar Schotland, maar kan bij de douane zijn hand met het paspoort niet stil houden. De irreële angst voor wat ze hem nog zouden kunnen doen is niet weg. Ook toen, destijds, leek het onvoorstelbare onmogelijk.
Vanaf nu kan Gerry ook vrijuit spreken in Killarney, aan de mensen om hem heen. Daarin wordt hij in niet geringe mate bijgestaan door het uitkomen van In The Name Of The Father. Mensen, die eerder niet konden geloven dat een onschuldig iemand een schuldbekentenis kan tekenen, gingen door de bocht.
Maar toch, toch blijft er bij de mensen iets hangen, iets van ‘Waar rook is, is vuur’. Het gebeurde Gerry kort geleden nog. Een gebouwencomplex in de buurt had last van drugsoverlast en iemand wendde zich tot hem. ‘Kan jij daar niet iets aan doen?’, zei de man op samenzweerderige toon.
‘Waarom ik?, vroeg Gerry verbluft.
‘Nou’, fluisterde de man, ‘jij bent toch van de IRA?’ In dit geval refererend aan de bijna even ‘terroristische’ ordehandhaving die de IRA praktiseerde binnen de eigen, katholieke gemeenschap. Berucht daarbij was de zogenaamde ‘kneecapping‘, een kogel door de knie. Ook dat maakte onderdeel uit van de aanklacht tegen Gerry, een beschuldiging die echter weer werd ingetrokken.
Het is wellicht de kern van Gerry’s probleem van vandaag: hij zit klem tussen de wal en het schip, waarbij het schip inmiddels is vastgelegd. Weliswaar loopt er nog een onderzoek van de Ombudsman voor Politiezaken en is er een civiele procedure aanhangig gemaakt, maar die kunnen de smet die aan hem kleeft niet doen verdwijnen. Want Gerry is wel aangeklaagd, maar niet veroordeeld. Daardoor kan die beschuldiging nooit officieel ongedaan worden gemaakt, terwijl de blaam onofficieel in de lucht blijft hangen. En het is die verdenking die Gerry liever dan wat ook kwijt wil, zoals een melaatse zijn huid.
Daarom ook wil hij, moet hij zijn verhaal vertellen. Om zijn onschuld uit te dragen. Daarom ook riep hij ‘Zeg het, zeg het!’, tegen de rechter op het scherm, om de verlossende woorden eruit te krijgen die hij ook zo zielsgraag zou willen voor zichzelf.

Daar zitten we dan nog steeds, daar op die bank. Ook voor zijn vrouw en zijn zoon is In The Name Of The Father goed geweest. Ook zij begrijpen hem nu beter. Zijn dochter is nog te jong.
En Gerry zelf, wat voelt hij nu na al die tijd het sterkst? Is het woede, wraaklust, verbittering? Nee, zegt hij. Hoewel, woede… Hij staart naar buiten. Het landschap vervaagt in de schemering, iets dat met wat gebeurd is maar niet wil lukken.
Eén ding wil hij zeker: die ene rechercheur vragen naar het waarom. Naar hoe hij heeft kunnen doen wat hij deed. Maar of dat er ooit van zal komen? Waarschijnlijk niet.
Ook is nog maar de vraag of uit het onderzoek van de ombudsman duidelijk zal worden in hoeverre de politie wist dat de vier van Derry eigenlijk onschuldig waren, net als bij de Guildford Four.
Hoe het leven lopen kan… Behalve die vier, waren er ook nog die twee, Gerry en Gary. Zou Gerry ook hem nog wel eens willen spreken, Gary Lineker? Nee. Te pijnlijk. Lineker is nu beroemd, Gerry niet. Lineker straalt wekelijks vanaf het tv-scherm, voor de BBC. Ja, ook Gerry verscheen inmiddels voor de BBC, in een documentaire over hem. Maar dat is toch anders. Geen glamour, maar harde reality-tv. Over hoe één kogel ook levens ruïneren kan van mensen voor wie die kogel niet was bedoeld.
Hoe dan ook, een collega in het hotel gelooft heilig dat na afronding van alle procedures Gerry alsnog beroemd zal worden. Beroemder nog dan Lineker. Een boek, een nieuwe film. Hollywood. Zou dat Gerry’s wonden kunnen helen? Erkenning van zijn onschuld, via het publiek?
Eén ding is zeker: de wonden zijn nog diep. Gerry denkt dat hij er van het viertal zelf nog het best aan toe is. En dat wil wat zeggen. Ik kijk hem aan. De man naast me heeft het zwaar. Posttraumatische stress. Ruim dertig jaar na dato. Vijf, zes keer in zo’n twee uur tijd is het hem teveel geworden.
Ik vertel Gerry over de site die Aghadoe Heights ‘haunted‘ noemde. Hij is het zelf, een gekwelde ziel. Het spook dat ooit bij hem binnenkwam is nog niet weggegaan.
Gelooft hij in geesten? Ook hij eigenlijk niet. Wel in het noodlot, maar in geesten… Hoewel, destijds heeft hij weleens de geest aangeroepen van de gedode soldaat, alsof die alsnog van Gerry’s onschuld getuigen kon. En dan, die ene nacht, toen hij voor het eerst weer terug was in Noord-Ierland – eindelijk vrij! – die nacht streek er iemand met een hand over zijn gezicht. Daar is hij zeker van, en doet voor hoe het ging.
Gerry maakte zijn vrouw wakker en vroeg of zij het was geweest. Nee, zij was het niet. Wie dan wel? Zijn vrouw huiverde.
Misschien, denkt Gerry, was het zijn moeder. Alsof ze zeggen wou: ‘You’re home‘.

*

©  Joost Overhoff