Wat was het koud. En ik maar wachten. De gedachte dat het hier om verwarming ging wilde wel helpen, maar niet genoeg.
Min één, windkracht vier. Waar bleef dat ding nou toch? Een enorme ‘kraan van Saan’ stond klaar, te niksen. Want hij kwam maar niet, dat ding.
Wie er wel al waren, waren de mannen. Van die echte. Met helmen, witte en gele, in laarzen en veiligheidsschoenen. Fluorescerende mannen, geel en oranje.
Het waren van die mannen die altijd precies lijken te weten wat ze doen, maar één ding wisten ze niet: waar het ding gebleven was. Gewapend als ze toch waren met smarte phones en walkietalkies. Gek.
Hij was niet ver, werd er gezegd, maar hij stond vast in de nauwe straten. Op weg naar ons. Ergens.
Slordig geparkeerde gewone voertuigen moesten worden weggesleept, ging het verhaal, om het bijzondere voertuig doorgang te verlenen. En als je de geruchten moest geloven kon je het geluid van versplinterende buitenspiegels in de verte al horen.

Het was een enorme dieplader die zich door de Mokumse straten moest wringen, met als lading maar één ding: een warmtepomp. De grootste in Nederland, tot nu toe. Gewicht: 14,8 ton. Ook de prijs ervan bedroeg vele tonnen. De eerste van een drietal voor dit unieke buurtwarmteproject, op basis van aquathermie.

Dat avontuur is niet in het minst zo bijzonder omdat het wordt gerealiseerd op initiatief van de bewoners zelf. Alleen al van dat idee zou je moeten gaan gloeien, maar ook dat lukte niet. Omdat we daar maar stonden, in die kou, en het ding maar niet kwam.
Opvallend: minstens twee van de bedrijven die bij dit project betrokken zijn komen uit ‘godvrezende plaatsen’. Van die plaatsen waar ze op zondag geen stap zullen zetten, behalve dan richting de kerk, en dat op alle andere dagen dubbel en dwars goedmaken. In dit geval: Staphorst en Werkendam. Ze zijn hier om Gods schepping nog iets te verbeteren, door middel van techniek. Dat schijnt dus van Hem wel te mogen.
Wat van Hem alleen niet schijnt te mogen is dat ik Nr.1 langs de hemel mag zien zweven. Mijn tenen zijn zó koud dat ik ze thuis even op ga warmen. Wanneer ik terugkom… is het te laat. Nr.1 heeft zijn plaats al gevonden in de speciaal geconstrueerde ondergrondse ruimte, het technologische hart van de nieuwe installatie.
De kraan van Saan kijkt me, opnieuw werkeloos, zonder mededogen aan: ‘Had je maar moeten blijven’. De volgende twee in te hijsen joekels komen pas morgen.
Wel zie ik iets anders: een vrouw. En wat voor één. Zij is degene die in deze mannenwereld alle ballen in de lucht houdt. En dat zijn er nogal wat. Niet alleen tal van bedrijven, maar dus ook bewoners. Dat laatste is niet alleen inspirerend, maar ook vermoeiend. Er zijn er die, bij wijze van spreken, bij het onderwerp ‘warmtenet’ over hun wintertenen beginnen. En over dit en over dat.
Ik kijk haar aan. Een soort combinatie moet ze zijn van een diplomaat en een stierenvechter. Ook haar ogen zijn in twee kleuren uitgevoerd. Het ene blauw, het andere bruin. Zou de Heer dat expres hebben gedaan? Zo van ‘Nu ik je bijzonder heb gemaakt, laat ik je er ook bijzonder uitzien’?
Zeker is dat ik met mijn twee dezelfde die twee verschillende om beurten aankijk. Deels onwillekeurig, maar ook uit verwondering en me afvragend of een van die kijkers het misschien beter doet dan de andere.
De faam van deze vrouw is haar al vooruitgesneld. Eerder sprak de baas van het bedrijf uit Werkendam mij al over haar met onverholen bewondering. Zo’n beetje iedereen lijkt haar te kennen, behalve ik.
Tot nu. Ze vertelt over haar overtuiging dat een manager van projecten zoals dit ook technisch onderlegd moet zijn, zoals zijzelf.
Ik zucht, met een oog op de ruimte met die warmtepomp XL. Ik heb een ingenieur gekend, een kenner van warmtepompen, die ontslag nam nadat er nieuwe managers waren aangesteld die al moeite hadden een warmtepomp en een broodrooster uit elkaar te houden.
Maar wat is ons land gezegend met al die werkmannen van staal en met vrouwen zoals deze.
En dan, nu ik haar eindelijk leer kennen, vertelt Het Fenomeen opeens, doodleuk, dat ze gaat emigreren. Dit project maakt ze nog af en dan, daarna, gaat ze wonen in… Polen.

Weg, waarom?! Omdat in Nederland ‘de beschaving verloren is gegaan’. In Polen excuseren de mensen zich nog, als ze tegen je aanlopen. In Nederland schelden ze je uit. In Nederland ‘rijden de mensen op de weg de gaten dicht’. In Polen laten ze je erin.
Tja, wat kan ik daar tegenin brengen? Ik zie één plat kauwdingetje op het plaveisel al als bewijs dat ze er met haar beschavingsbeleving niet naast zit. En als je die barbarijbewijzen eenmaal gaat tellen…
In Mokum dan toch. Misschien is het elders beter. Loppersum, Staphorst, Werkendam?
Ik trek me terug in mijn woning, daar waar hij nu nog rustig snort, mijn cv-keteltje op gas. Zal ik het ‘m vertellen, dat zijn dagen zijn geteld?
Eerst schrijf ik Het Fenomeen een mail, over de schrik die ze me heeft bezorgd.
In haar antwoord tegen PTSS:
“...ik ga jullie achterlaten met een werkend mooi buurtwarmtenet”.
Toch nog iets waar je warm van wordt.

Met de groeten uit Staphorst.

TERZIJDE
Voor een schema van dit systeem, kijk hier.
– Saldo
Hoe lang duurt het voor de enorme ‘voetafdruk’ van de aanleg van zo’n systeem is goedgemaakt?
– Eerder op de site
Over één van de ‘hobbels’ bij dit project: Koet que koet.
Over de Beschavingsmeter.
