552. Midden-Spanje / 7

Een hogesnelheidstrein kan ook stilstaan. Maar juist doordat-ie dat lang genoeg doet lukt het ons, ter compensatie, een plek te krijgen in de volgende. Eigenlijk hadden we, van Barcelona tot aan Perpignan, moeten boemelen. Maar zo zijn we er door de vertraging, zonder bijbetaling, nog eerder.

Was het niet vreemd“, schreef Jozef Israëls bij zijn vertrek uit Spanje, “dat juist nu het weer ging veranderen; de lucht betrok (…)

Zeer laat in den nacht kwamen wij te Perpignan aan (…) en toen onze koetsier druipnat en koud ons naar het hotel bracht (…)”

Ook bij ons eigen vertrek uit Spanje begint de lucht te betrekken, maar voor ons is het bij aankomst heel simpel. Ons hotel staat pal tegenover het station. Geen gewoon station, althans volgens een schilder van na Israëls.

Het was Salvador Dalì, die meende te voelen dat niets minder dan het centrum van de wereld zich juist hier bevond.

Midden in de stad treffen we een brasserie zoals een klassieke Franse brasserie eruit moet zien, compleet met het bijbehorende personeel, gehuld in lange voorschoten. Maar het eten is er werkelijk a-bo-mi-na-ble. Het station mag het Centrum van de Wereld zijn, hier troffen we ’s Werelds Meest Impotente Frieten. Onder meer… Op internet vermeld als ‘monument de la gastronomie‘ lijkt dat nog steeds te kloppen. Maar dan nu als symbool van de neergang van de Franse keuken, de huiswijn inclusief.

Wel goed, héél goed, is Le Petit Bus. Het is een busje dat alsmaar stadsrondes rijdt. Gratis.

Ook prima, nog steeds: het personeel van de Galeries Lafayette, een soort alomtegenwoordige Bijenkorf. Er vlak voor, een verrassende ontmoeting. Ik tref er een Indiaanse. Mijn eerste. En dat in Perpignan. Ter voorkoming van misverstand: geen vrouw uit India, maar, laten we zeggen ‘de zus van Winnetou’. Haar gezicht heeft bijpassend sterke trekken, maar ze spreekt wel ‘verdacht’ goed Frans. Ze blijkt in Parijs te zijn geboren, uit puur Indiaanse ouders.

Perpignan vindt ze maar ‘een vreemd hoekje’ van het land. Na dertig jaar had ze er nog niet één lokale kennis. Nu woont ze in Narbonne, iets meer naar het noorden. ‘Totáál anders’.

Hoe zit het trouwens met de Catalaanse inborst hier? Die blijkt beperkt. ‘El Centre del Món’, als naam voor een commercieel centrum bij het station, veel meer wordt het niet. Catalaans wordt vrijwel niet gesproken, in tegenstelling tot maar een paar kilometer verderop, over de Spaanse grens. ‘Catalaanse grens!’, zouden ze me daar wellicht boos verbeteren.

Verschil moet er zijn: in Spanje gaan ze het Franse te lijf met gereedschap.

Andere talen klinken hier wel. We stuiten op een vrouw met een feestelijk dochtertje. De kleine spreekt goed Frans, de moeder niet. Waar komt ze vandaan? ‘Uit Siberië’, zegt ze, voorzichtig.

Ja, hoe is het nu als Rus in het buitenland? Zouden er meer van hen proberen ‘creatief’ te zijn, als ze gevraagd worden naar hun vaderland?

Bij een hangbankje hangen drie Marokkaanse jongens. Eén ervan met e-step. Alles wat hij aan heeft is van het prijzige merk Lacoste. Zelfs op zijn hoed prijkt het krokodilletje, terwijl hij voortdurend zijn smartphone checkt. Een drugsrunnertje, wachtend op orders?

In Perpignan peperen ze je trouwens de waarheid in.

Gebruiken = Steunen

Beter nog zou zijn: ‘causer‘, veroorzaken, aanrichten. Het runnertje runt alleen maar omdat er vraag naar is.

Het doet ons wel denken aan iets vreugdevols. Op ook maar niet één moment van onze reis hebben we ons onveilig gevoeld. Nergens. Dat mag ook weleens aan de balk.

We eten met een jong ouderpaar dat net over de grens woont, aan de voet van de Pyreneeën. Zó groot is de Spaanse woningnood, zelfs daar, dat ze bivakkeren in een caravan in een loods. Niet dat er geen, ook lege woningen zijn. Om ons weer even te herinneren aan wat we probeerden te vergeten: de paar keer dat we hebben overnacht in een appartement, in plaats van in een hotel.

Het ‘woonwagenstel’ schetst het straatbeeld in de plaats Figueras: dichtgemetselde hotels, die de opkomst van de online privéverhuur niet hebben overleefd…

De Franse hogesnelheidstrein vertrekt stipt op tijd, vanuit het centrum van de wereld naar de hoofdstad. We gaan het proberen: in één dag met de trein vanaf bijna in Spanje te geraken tot in Mokum.

In het zuidelijkste deel doet de trein het nog relatief rustig aan, maar vanaf onder Avignon wordt het serieus. Vaak haalt-ie de 299, de 300 nooit, alsof een begrenzer hem voor dat ronde getal wil behoeden.

Schuin tegenover ons zit een ranke jongeman. Hij komt uit de Champagnestreek, maar voor champagne als drank ziet hij geen sprankelende toekomst meer. Door de verandering van het klimaat. ‘Ook Bordeaux…’

Het weer is trouwens prachtig en als om de cirkel rond te maken nemen we in Parijs opnieuw de bus, dwars door de stad. Aan het eind wacht een ‘verheuglokaal’: Terminus Nord, nog wél een brasserie zoals een klassieke Franse brasserie moet zijn. Recht tegenover het station.

Gereserveerd hebben we niet. Er kunnen immers wel vijfhonderd eters in. Die blijken er echter al te zijn, allemaal. We moeten in de rij. Geen probleem. Van die vijfhonderd gaan er voortdurend mensen weg. En al wachtend sta je te genieten van deze culinaire heksenketel.

Haat en nijd, tempo, tempo!, geen enkel respijt. Een dienblad met wel twintig glazen slalomt op vingertoppen voorbij. Schalen met schaafijs, krabben en oesters, vol-au-vents… Een ober met een gezicht, bijna zo grauw als dat van de rouwende vader in Valencia. En dan, toch nog, breekt er een lichte glans op door. Wanneer een reiziger hem blijkt te zien, hém blijkt te zien. Niet als ‘iets in een voorschoot’. Hoe vaak zou hem dat gebeuren? Misschien op sommige dagen niet één keer. En waar zou hij terechtkomen wanneer hij naar huis gaat? In een bedompt, klein kamertje, pal naast het spoor? Of draven we nu door? Te misérable? Misschien woont hij wel riant, maîtresse inclusief.

We krijgen twee plaatsen, helemaal achterin. Onze tijd begint te dringen. De deur naar de keuken zwiept heen en weer. Hoe zou het er toegaan, daarachter ? Ik stel het me voor zoals George Orwell het ooit beschreef. Nog steeds. Nou ja, ongeveer.

Gaan we het redden? Een hele maaltijd zeker niet, maar alleen een soupe net wel? Een ober als een heer beweegt door de kolkende oceaan als een baken van rust. Hij denkt, hij weet dat we het gaan redden. En we redden het. Een feest.

*

’s Ochtends om zeven uur vertrokken uit Perpignan, rolden we om zes uur ’s middags binnen op Amsterdam CS.

*

Israëls schreef aan het einde van zijn reis:

“maar de hand die vroeger het warmst werd uitgestoken om mij te ontvangen, zij was er niet”.

Bij mij was die hand er wel, al vanaf het vertrek.

TERZIJDE

Pardon?!

In de Franse trein verplicht: bagagelabels. Boete: €50.

– Voelt vreemd:

‘Hogesnelheidspiesen’. Staand.

– Zijn debuut

George Orwell / Down and Out in Paris and London (1933).

– Kern

Ook wij troffen het centrum van de wereld aan in Frankrijk, maar dan iets noordelijker. Kijk hier.