Valencia,
Mea culpa. We hebben het wéér gedaan, een appartement gehuurd. In een gebouw, zo blijkt, waarin wel heel veel woonruimte aan de Valencianen is onttrokken.
Hun oordeel over ons hebben ze voor de zekerheid alvast vertaald. Het staat op de muur schuin tegenover de ingang.

We nemen de bus naar het strand en drinken een drankje aan de zee. Naast ons een volle tafel met jonge landgenoten. Valencia is sinds een aantal jaren heel populair onder het Nederlandse publiek.
De serveerster komt, verrassenderwijs, uit Egypte. Ik vraag haar naar de buitenlanders die ze als klanten het liefste heeft. Verrassing Nr.2: wij zijn het die gaan strijken met de eer, de holandeses. Echt waar?! Ja. Ik vraag het de Argentijnse barman en hij zegt hetzelfde.
En de slechtste? Vanachter de bar kijkt hij me eerst wat leep aan, terwijl hij vraagt ‘Waar komt ú vandaan?’ en komt pas daarna met zijn oordeel. Het minst geliefd zijn de Fransen, met afstand.
Dat hebben we deze reis al vaker gehoord, maar wie ‘prijkt’ op dat podium met zilver? De Spanjaarden zelf.
Dat hadden we niet gedacht. Kennen we ze dan niet goed genoeg? Is het misschien arrogantie tegenover iemand uit Latijns-Amerika, uit Argentinië in het bijzonder? Of tegenover iedereen die anders Spaans spreekt dan zijzelf?
Zeker is dat Valencia geldt als dé plaats van de paella. Waar we die moeten gaan eten weten we al sinds Cuenca. Daar ontmoetten we een Valenciaan die het ons haarfijn heeft uitgelegd.
Qua geheimtip blijkt het van generlei waarde. Iedereen, en alle toeristen erbij, kent La Pepica. Ook Hemingway kwam er al en dat betekent een uithangbord met eeuwigheidswaarde.
Sterker, ze hebben er zo hun eisen: je mag er niet langer dan een kwartier te laat komen, er daarna hooguit anderhalf uur zitten en daarbij voor minstens dertig euro verteren. P.p.
Een ‘intiem eethuisje’ kan je het ook niet noemen. Vierhonderdvijftig couverts, het terras niet meegerekend. Maar toch wil je er wel geweest zijn.
‘Paella’ is Valenciaans voor ‘pan’. Vandaar.

Paella valenciana is met kip en konijn. Vis mag er niet in en erwtjes ook niet. Saffraan, daarentegen, moet, maar wordt niet zelden weggelaten. Te duur.
Veel meer dan een zes kunnen we de Pepica-paella niet geven, maar we zitten er goed. Een paar tafeltjes verderop zit een jonge vrouw alleen. En, een wonder, ze smartphonet niet. Ze leest een boek! Het is Fiesta, van Hemingway. Geïnspireerd door La Pepica? Nee, toevallig, zegt de sympathieke lezeres uit Manchester.
Ook horen we nogal wat Italiaans. Verderop, in de haven, ligt een giga-veerboot van Garibaldi Lines en vanuit De Laars zijn er veel directe vluchten.
Maar de vrouw die de voordeur opendoet in ons appartementencomplex komt helemaal uit Canada. Blij om ons te zien is ze niet. Dat wil zeggen: ze had gehoopt dat we iemand anders waren, een monteur. Haar man zit namelijk vast in de lift, al een uur.
O jee. Is hij in paniek? Nee, denkt zijn vrouw, eerder dat hij bovenop de bagage in slaap is gevallen.
‘We kwamen net van de opslag’, zegt ze erbij.
De opslag? Toeristen?
Voor ons gevoel kunnen we uit solidariteit niet direct door naar onze eigen kamer, met de trap. Dus houden we haar gezelschap. Hulp is onderweg, maar hoe lang kan dat nog duren? Niemand die het weet.
De vrouw blijkt geen toerist. Haar dochter woonde in Valencia, met haar vriend. Maar die vriend is vertrokken, naar Portugal, ‘… and our daughter passed away‘.
Nee, hè?!! Ja.
We zijn even stil.
Vandaag hebben ze de spullen van hun dochter opgehaald, waarmee haar man nu in de lift zit. Ook dat nog.
Pffff, wat een drama. Net als de toestand van hun woonplaats, Vancouver, ooit een soort paradijs op aarde. Inmiddels is het stel ‘gevlucht’, naar een eilandje voor de kust.
Gelukkig, er komt redding. Daar is de liftman. De lift maken gaat hij niet doen, alleen de ongelukkige bevrijden. Daarna snelt hij weer weg, naar de volgende?
We ontmoeten de vader. Zijn gezicht is grauwer dan grauw. Asgrauw.
Was hij in paniek? Nee. ‘Daar ben ik te moe voor’, bevestigt hij zijn vrouws vermoeden.
De lift, je zal het altijd zien, is niet blijven steken bij de verdieping van hun kamer en we helpen ze met het omhoog sjouwen van de koffers. Gevuld met aandenkens, die pijn doen.
*

De volgende morgen vinden we de grote markthal van Valencia bomvol kleur en leven. Bij wijze van contrast. We lopen ‘m drie keer rond, in steeds kleinere cirkels.
Ook in zijn tijd kwam Israëls hier ogen tekort.

Daarna nemen we weer de bus naar het strand en wandelen terug naar de oude stad, door het beroemde park. Het is aangelegd in de bedding van een rivier die vroeger voor overstromingen zorgde en daarom is verlegd. Daarmee was het probleem niet opgelost, maar verplaatst, zo konden ze vorig jaar goed merken. De kuststreek was het slachtoffer van een DANA, een weerfenomeen dat met de klimaatverandering steeds gewelddadiger wordt.
Door de rivierverhuizing is er aan schade in het centrum niets te zien. Wel prominent: de spektakelarchitectuur van de Valenciaan Calatrava, wereldkampioen ‘Showconstructies Met Problemen’.

Joggers voldoende hier, een goed teken. Overal eigenlijk waar we in Spanje komen. Net als e-steps.
We stuiten op een jonge Italiaan uit Turijn, die hier woont. Geen toeval. Volgens hem is Valencia uitgeroepen tot de stad met het beste leefklimaat. Dat wij in Mokum wonen vindt hij een beetje sneu.
Een Valenciaan in het centrum raakt daardoor juist enthousiast. Hij heeft een winkel waar ze nog waaiers verkopen die met de hand zijn gemaakt, in hun lokale familiebedrijf. De waaierman komt niet alleen op stoom door Johan Cruijff, maar, zowaar, ook door Rinus Michels. ‘De Generaal’.
Hoe zit het hier trouwens met de voetbalrivaliteiten? Goed. Met Barça gaan ze wel door een deur, de grote vijand is ook hier Madrid. Cultureel zijn de Valencianen met de Catalanen verwant, ook qua taal. Alleen is het Valenciaans hier nog in (her)ontwikkeling, nu het weer op de scholen onderwezen wordt.
Naast de waaierwinkel zit het bedrijf dat onze appartementen verhuurt. Ze hebben er nog meer.
De jonge vrouw bij de receptie komt uit Nicaragua. Net als veel lotgenoten uit Venezuela is ook zij haar land ontvlucht door één man, een dictator. Hoeveel van dat soort landen zijn er wel niet?
We suggereren haar de Canadezen hun verblijf cadeau te doen.
En wat zijn haar voorkeurslijstjes inzake de herkomst van de huurders? Over de ergste toeristen twijfelt ze niet, niemand lijkt het, maar Nr.2? Toch ook de Spanjaarden? Daarbij vermoedt ze dat die zich in het buitenland beter gedragen dan thuis. Bij haar 1,2,3 aan de goede kant gaan de prijzen weer naar ons, de Japanners en de Zuid-Amerikanen op drie.
Misschien dat de meer beruchte holandeses zich op andere plaatsen vertonen dan wij? Zoiets moet het toch zijn, zou je denken. Of zijn wij, van bij de Noordzee, gewoon vriendelijker dan anderen tegenover het personeel?
We eten vandaag, ter vergelijking, een andere paella in een ander restaurant. ‘Een plek niet voor toeristen’, zei de bakkersvrouw. Maar ter plekke wordt duidelijk waarom ze dat denkt. De toeristen worden allemaal naar boven gestuurd, de lokalen eten onder elkaar, beneden.
Onze paella de mariscos, met zeevruchten, is een tandje geler en beter dan die van La Pepica, maar veel zeevruchten zitten er niet in. Nou ja, misschien moet je voor de beste paella wel buiten Valencia zijn…

TERZIJDE
– Alstublieft
Por favor, leerde ik vroeger, als misschien wel de meest gebruikte woordcombinatie. Nu hoorde ik het niet één keer.

– ¡ Que lastima ! / Wat jammer!
‘In plaats van’ por favor hebben ook de Spanjaarden helaas kauwgom ontdekt.
– DANA =
Depresión Aislada en Niveles Altos.
Nou, dan weet je het wel.
– Emmanuel
Geschreven door Michel Colombier, voor zijn overleden zoon.